|
|||||||
|
|
|
|||||
|
|
|||||||
Ez-Zamâlik is een deftige ambassadewijk. De 26-julistraat loopt via twee bruggen dwars over het Nijleiland el-Gezîta. Oum Kalsoum werkt meestal dicht bij huis. De live-concerten vinden plaats aan de twee uiteinden van een van Cairo's belangrijkste verkeersaders; voor studio-opnamen hoeft ze na de brug alleen maar rechtsaf te slaan naar het aan de oostzijde van de Nijl gelegen immense omroeppaleis van De Stem van Cairo, Sawt el-Cahira. Met haar serieuze liederen lijkt Oum geschapen voor een uitzending op de donderdagavond, voorafgaand aan de op vrijdag gehouden islamitische `zondag'. Als in 1935 voor het eerst rechtstreeks een concert van de zangeres door de radio wordt uitgezonden, zou dat het begin zijn van een waar instituut in de Arabische wereld, een decennia durende serie live-concerten op elke eerste donderdag van iedere maand. Het verhaal wil dat haar stem zo krachtig was dat de microfoon het begaf toen ze er tijdens die allereerste live-uitzending te dicht bij kwam.
In datzelfde jaar 1935 maakt ze haar debuut in de film Wadâd. De hieruit afkomstige nummers `Laih ya zaman' en `Ya tair', composities van Mohamed Qasabgi op tekst van Ahmed Rami, worden monsterhits. Omstreeks deze tijd is in Nederland de klarinettist Willem Langestraat druk in de weer met Oum Kalsoum. De uit Delftshaven afkomstige musicus krijgt in 1932 in de haven van Schiedam van een zeeman een 78-toerenplaat. Naast Arabische tekens op het label staat op de hoes de leesbare mededeling dat het gaat om `Les chansons eternelles d'Umm Kullthum' betreft. De Nederlander luistert gefascineerd naar de melancholieke klanken en verwerkt stukjes daarvan in zijn spel. Na de tweede wereldoorlog rijst de ster van Langestraat onder verschillende namen. Voor de bevrijders is hij `Bill Longstreet from Holland' wiens easy swing de Canadese en Amerikaanse intimiteiten met vaderlandse meisjes begeleidde. Via platenmaatschappij Decca belandde Langestraats' composities in Zuid-Amerika en verandert Hollandse Willem uit Schiedam in Se¤or Laguestra, leider van niet minder dan tien verschillende samba-rumbaorkesten. Als Laguestra staat hij te boek als de eerste Nederlander die een Zuidamerikaans getint orkeststuk schreef. Terwijl de Latijnsamerikaanse klanken hoogtij vieren, kan Langestraat die eerste Arabische plaat niet vergeten. De muziek boeit hem mateloos. De Avro is verbaasd als Laguestra tijdens het razend populaire radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein komt aanzetten met de Algerijnse luitspeler Taoud Ben Nacef. We schrijven 1957 en het is historie: niet alleen introduceert Langestraat Arabische muziek in Nederland, hij heeft ook nu nog in de Arabische wereld zijn fans. Radio Nederland Wereldomroep speelt tijdens zijn op het Midden-Oosten gerichte uitzendingen vaak Laguestra-arrangementen van liederen van Oum Kalsoum. Weinig mensen weten dat deze in maart 1991 zevenenzeventig jaar geworden multi-muzikant al twintig jaar lang dagelijks op de Nederlandse tv-netten te horen is. Telkens wanneer Loeki de Leeuw in de Ster-reclame verschijnt, gaat dit gepaard met door Langestraat gecomponeerde, soms oriëntaals klinkende riedels. Fans van Oum die werden uitgelachen omdat ze tussen de diverse spotjes fragmenten uit het oeuvre van de Arabische zangeres meenden te herkennen, beschikken over een uitstekend gehoor. Terwijl in Schiedam Arabische klanken aan de klarinet worden ontlokt door Willem Langestraat, sterft in 1936 in het verre Egypte koning Fouad. Zijn zoon Faroek keert terug uit Engeland om de troon te bestijgen. Al was Egypte in 1922 reeds als onafhankelijke staat erkend, toch handhaafde Engeland zijn leger in de Suezkanaalzone en eigende het zich via een verdrag de verdediging van Egypte toe, evenals het recht om de eerstvolgende twintig jaar de havens van Alexandrië en Port Said te mogen gebruiken. In juli van 1937 wordt Faroek als koning geïnstalleerd. Echt veel belangstelling heeft het gewone volk niet voor de gebeurtenis, omdat gelijktijdig de film Nasid al Amal van Oum Kalsoum in twaalf van de zesentwintig bioscopen van Cairo draait. Ook het huwelijk van de nieuwbakken koning in het daarop volgende jaar met prinses Farida, die hem drie dochters schenkt, kan nauwelijks enthousiasme teweegbrengen. Net zomin als de trouwpartij van kroonsjah Reza Pahlevi van Iran, die zich in Cairo met Faroeks zuster Fawzia verbindt. Het zijn kostbare aangelegenheden, die door de arme bevolking moeten worden betaald. In de zomer van 1940 vallen de Italianen Egypte binnen, maar worden in december tot Libië teruggedrongen. Met ondersteuning van het Duitse Afrikakorps van veldmaarschalk Rommel lukt het de Italianen in april 1941 alsnog de Egyptische grens te overschrijden. Na de inname van Tobroek slaagt Rommel erin door te stoten tot de stelling van el Alamein, een dorp op 100 kilometer ten westen van Alexandrië. Een Brits tegenoffensief onder Montgomery dwingt hem echter zich terug te trekken tot aan Bengazi. In 1947 vertrekken de Britse troepen uit Cairo, maar niet uit heel Egypte, waar ze pas acht jaar later zullen verdwijnen. Keizerin Fawzia van Iran keert ernstig vermagerd terug bij haar koninklijke familie in Egypte. Dat ze niet van ellende in Teheran is gestorven, kwam omdat ze stapels platen van Oum had meegenomen, zo zou ze later verklaren. In 1946 ontvangt de zangeres uit handen van koning Faroek de Nijlprijs, een hoge onderscheiding van verdienste in Egypte. Op 15 mei 1948 loopt het Britse mandaat over Palestina af en roepen joodse bewoners van het gebied de staat Israël uit, hetgeen leidt tot de eerste Arabisch-Israëlische oorlog. De Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties geeft blijk absoluut geen verstand van de zaak te hebben als hij tijdens een bijeenkomst joden en Arabieren oproept om hun geschillen bij te leggen `als goede christenen'. Egypte lijdt een nederlaag tegen Israël. Op 17 september vermoorden joodse terroristen de Zweedse graaf Folke Bernadotte, die tussen de oorlogvoerenden bemiddelt. Datzelfde jaar komt het ook tot een scheiding tussen koning Faroek en koningin Farida. `Men' weet dat dit het gevolg is van de overmatige belangstelling van de koning voor de liederen van Oum. Aangeslagen door de verliezen tegen Israël draait Faroek tot diep in de nacht haar platen. Oum zelf moet niets van al die koninklijke aandacht hebben. Ze weet de meeste uitnodigingen om in het paleis op te treden te omzeilen. Op een ochtend komen in Cairo een jongen en een meisje arm in arm de juwelierswinkel van een hofleverancier en vertrouweling van de koning binnen. Het is Zaki Hashem, die in Amerika economie heeft gestudeerd en vervolgens een betrekking heeft gekregen bij het secretariaat van de Verenigde Naties. Hij komt naar de juwelierszaak om samen met zijn zestienjarige verloofde Narriman Sadek ringen uit te zoeken. Dan wordt de juwelier naar achteren geroepen. Even later is hij weer terug en vraagt hij het aanstaande paar met een smoesje de volgende dag terug komen. `In mijn zaak in Alexandrië heb ik veel mooiere ringen.' In werkelijkheid heeft een lid van Faroeks speciale dienst zijn oog op de oogverblindende schoonheid van Narriman laten vallen. Diezelfde dag rijdt Faroek in zijn speciale trein snel naar Cairo, praat met de juwelier en stuurt zijn bedienden langs alle fotografen om foto's van de kleine Narriman op te halen. Twee dagen voor de bruiloft vertelt Hussein Fahmi Sadek, de schoonvader in spe, aan Zaki Hashem dat zijn bruiloft op koninklijk bevel is afgelast. Zaki kan niets doen tegen de almachtige Faroek. Tegen zijn vrienden zegt hij zich te voelen alsof hij door een atoombom was getroffen. Hij reist snel terug naar Amerika. De affaire voedt de algemene ontevredenheid. De koning negeert de publieke opinie. Hoewel hij moet weten dat de Egyptische bevolking deze manier van doen verafschuwt, besluit hij dat de bruiloft nog grootser moet worden dan die met Farida. Met triomfbogen en grote verlichte afbeeldingen van het nieuwe paar worden de straten versierd. De koning viert zijn huwelijk in 1951 met `de buitensporigste koninklijke huwelijksreis die de geschiedenis ooit beleefde'. In Monte Carlo maakt hij historie als enige monarch die de bank van het casino laat springen. Terwijl Narriman twee uur in een aangrenzend vertrek moet wachten en Faroek uiteindelijk een berichtje stuurt dat ze naar bed is, speelt de koning door. Om zes uur in de ochtend moet het spel worden stopgezet omdat de croupiers meer geld moeten laten aanrukken. De koning stopt dan, bulderend van het lachen, en rijdt, gevolgd door acht lijfwachten, naar het Htel de Paris, waar hij met de zojuist ontwaakte Narriman een ontbijt van zes gangen gebruikt, waaronder biefstuk, meloen en - opvallend genoeg - bacon. Na terugkeer in Egypte laat de oppositie aan Faroek weten dat `het geduld van het volk ten einde is. Wij vrezen dat er spoedig een opstand zal uitbreken die Egypte tot de ondergang voert. Door uw koninklijke decreten bestaat er geen bewind meer op parlementaire basis'. Er waren al twee aanslagen op de koning gepleegd. Bovendien kwam het tot een openlijke breuk tussen Faroek en koningin-moeder Nazli, wanneer deze haar dochter Fathia toestaat met een christen uit San Francisco te trouwen. Faroek is woedend. Het huwelijk van zijn zuster loopt dank zij niet-aflatende intriges op instigatie van Faroek zelf uit op een scheiding en krijgt een dramatisch staartje als de ex-echtgenoot prinses Fathia vermoordt. Op de ochtend van januari 1952 staat het grote plein voor het Abdinpaleis in Cairo vol militairen uit alle eenheden van het Egyptische leger. Van de citadel bulderen de kanonnen. Hoog boven op het balkon staat de gedrongen Faroek met in zijn armen zijn nieuwgeboren zoon en erfgenaam, kroonprins Ahmed Foead. Als het gebulder van de saluutschoten voorbij is, stapt de koning naar de rand van het balkon en spreekt de militairen toe: `Hier is de kroonprins van Egypte. Ik plaats mijn zoon in jullie handen.' Zes maanden later is Faroeks koningschap voorbij en heeft de baby officieel zijn plaats ingenomen. Dat is na de coup d'état van 23 juli 1952. Voor het eerst sinds de farao's wordt het land weer geregeerd door een Egyptenaar: Mohamed Naguib. Faroek vertrekt in ballingschap naar Italië. Op 18 juni van het daaropvolgende jaar wordt de monarchie afgeschaft en proclameren militairen de republiek Egypte, met Naguib als president. Op 18 april 1954 wordt kolonel Nasser, na de val van generaal Naguib, minister-president. Sotheby's heeft twee weken nodig de geconfisqueerde spullen van Faroek te veilen. De revolutie maakt een diepe indruk op Oum. Ze breidt haar stijl uit en zingt naast lofliederen op Egypte ook politiek getinte songs. Nasser noemt zichzelf haar grootste fan. De dochter uit de Nijldelta telt meer staatshoofden onder haar vereerders. Als koning Hussein van Jordanië in 1955 trouwt met prinses Diana, wordt Oum met een speciaal vliegtuig vanuit Cairo overgevlogen om het feest luister bij te zetten. Kort daarop brengt haar manager Zaki Hashim (de latere minister van Toerisme en prive-advokaat van Oum Kalsoum) een artistieke overeenkomst tussen de zangeres en het staatsbedrijf Sawt el-Cahira (Sono Cairo) tot stand. Op 19 oktober 1954 sluit Nasser met Engeland een verdrag waarbij de terugtrekking van alle Britse troepen uit de Suezkanaalzone binnen twintig maanden wordt overeengekomen. In geval van oorlog zal het kanaal Engeland ter beschikking staan. Een jaar later vertrekken de Britse troepen daadwerkelijk uit Egypte. Nasser wordt bij referendum op 23 juni 1956 president. Op 26 juli maakt hij de nationalisering van het Suezkanaal bekend. Bij de aanleg een eeuw eerder hadden niet minder dan honderdvijfentwintigduizend Egyptenaren het leven gelaten. Met de kanaalgelden kan de bouw van een dam bij Aswan worden gebruikt, omdat de Verenigde Staten hun aanbod om de dam te financieren hadden ingetrokken. Op 20 oktober vallen Israëlische troepen Egypte binnen. Een Brits-Frans ultimatum (stationering van Franse en Britse troepen in de kanaalzone) wordt door Egypte afgewezen. Op 31 oktober bombarderen Engeland en Frankrijk gezamenlijk Egypte. Op 6 november volgt de luchtlanding van Frans-Britse troepen en veroveren deze een bruggehoofd in Port Said. Israël doet ook mee en er klinken dreigende waarschuwingen van de kant van de Sovjetunie. Al die tijd klinkt de krachtige stem van Oum Kalsoum via de ether over het Midden-Oosten. De Egyptische soldaten worden door haar moed ingezongen terwijl Britse, Franse en Israëlische vliegtuigen hun bommen op Cairo droppen: Als een lichtflits is het volk, Als een berg staat het overeind, Het woelt als de oceaan, Als een kwade vulkaan is het volk, Een spuwende vulkaan, Indringers: beef! De Verenigde Naties worden ingeschakeld. Op 7 november volgt er een wapenstilstand en zenden de vn een internationale politiemacht voor bezetting van het Suezkanaalgebied. Op 22 december vertrekken onder dwang van de vn de laatste Franse en Britse troepen. Maar de spanningen met Israël blijven bestaan totdat het Sinaï-schiereiland op 7 maart 1957 tot aan Gaza ontruimd is. Die dag is het tevens de eerste donderdag van de maand. Oum Kalsoum geeft een bijna zes uur durend concert, waarop zij onder andere zingt: De stem van de vrede heeft gezegevierd, Die de verslagen indringers doet verstommen, Onze zielen zijn ten offer gevallen In de strijd voor iedere onderdrukte, O dapper Port Said, Jouw hevig verzet tegen de aggressors Is een symbool geworden Van het verval van de imperialistische machten, Van het einde van hun overmacht In het oosten. Op 1 februari 1958 sluiten Egypte en Syrië zich aaneen tot de Verenigde Arabische Republiek, waarvan ook Jemen lid wordt. De moord op de journalist Nasib al-Matni is de directe aanleiding tot het uitbreken van een burgeroorlog in Libanon, waarbij Egypte zich fel keert tegen het op het Westen georiënteerde bewind van president Camille Khamoun. Op 14 juli van datzelfde jaar wordt koning Feisal van Irak met zijn familie in zijn paleis in Bagdad vermoord. Kort na de moorden in Bagdad bereidt Oum Kalsoum zich voor op haar optreden tijdens het internationale muziekfestival van Damascus. De Libanese schrijver Said Fariha herinnert zich de repetitie. Na afloop vroeg Oum hem: `Wat denk je ervan om met ons mee te komen?' Fariha antwoordde: `Met ons? Wie bedoelt u?' `Ik bedoel met mij en Mohamed Dassouki, de zoon van mijn zus.' De schrijver aarzelde... ja maar... De zangeres repliceerde met `Geen gemaar, flauwe kul. Ga je spullen pakken, dan zien we elkaar op het vliegveld.' De schrijver bedankte haar hartelijk voor de eer van deze uitnodiging: `Ik was niet voorbereid, geestelijk niet in de stemming, omdat er in mijn land Libanon een burgeroorlog woedde en de boel leek te exploderen. Maar Oum Kalsoum reageerde als volgt: "O mijn god, was jij het niet die ooit heeft geschreven dat zingen en muziek maken je je zorgen deden vergeten en je ziel reinigde en dichter bij God bracht? Als dat zo is, ga dan met ons mee". Ze heeft mij overtuigd en ik ging mee naar Damascus. Wat me verbaasde was dat ik ontdekte dat Oum Kalsoum de "Ayat Koursi" [een koranvers dat vooral bij moeilijke situaties wordt aangehaald] reciteerde voor haar vertrek. Dat deed ze op het vliegveld van Cairo diverse malen voor ze het vliegtuig betrad. In haar tas had ze een paar kilo sinaasappels. Dat is een bekend verhaal, dat bij ieder buitenlands concert de kranten wel haalde: Oum verlaat nooit Egypte zonder haar kussen om op te slapen en een grote hoeveelheid Egyptische sinaasappels mee te nemen. Niks geen Spaanse, Portugese, Marokkaanse of welke andere sinaasappels dan ook, maar uitsluitend Egyptische, want die zouden haar gezond houden tot aan het eind van haar leven.' Als de rust in Libanon tijdelijk is weergekeerd, treedt Oum in 1959 weer op in dit land en ontvangt ze uit handen van de Libanese president de orde van de Libanese Ceder. Nasser hangt haar op 26 meert 1960 de Order of Merit van de eerste klas om. Het sterrendom van Oum Kalsoum inspireert tal van nieuwe zangeressen. Iedereen die maar enigszins het timbre benadert, wordt al snel als haar opvolgster of `de nieuwe' Oum Kalsoum op de markt gegooid. Zoals de Algerijnse zangeres Warda, die in het begin van de jaren zestig op het Pathé-label `Ya Zalemni' opneemt. Veel succes heeft het singletje niet, omdat het nummer al eerder door Oum op de plaat was gezet. Als de Nederlandse regering in diezelfde tijd de eerste gastarbeiders uit Noord-Afrika haalt, wagen sommige onder deze nieuwkomers het een Nederlandse platenwinkel binnen te stappen. Je weet maar nooit, en je kunt toch altijd vragen of ze misschien platen van de Egyptische superster Oum Kalsoum verkopen. Tenslotte was ze buiten de Arabische wereld ook razend populair in Brazilië, Iran en Afghanistan. Het buitenlandse aanbod in de Hollandse platenwinkels was in die tijd zeker gevarieerd: Argentijnse tango's van Melando en Laguestra, Indonesische Nina Bobo's van Anneke Grnloh, Surinaamse B.B. met R. van Max Woisky jr, Griekse `Pinda pinda lekka' van Trio Hellénique en het Spaanse `Maria No Mas' van Cliff Richard scoorden goed in die dagen. Maar van de Egyptische zangeres had men nog niet gehoord. De eerste voor de verkoop bedoelde grammofoonplaten van Oum Kalsoum arriveren eind april 1965 in Nederland. Ze werden door Karel Pastor, eigenaar van een in volksmuziek gespecialiseerd Haarlems platenwinkeltje persoonlijk uit Egypte gehaald. Vanuit de Barteljorisstraat vertrok hij in een Dafje via Spanje, Marokko, Algerije, Tunesië en Libië naar de platenmaatschappij Sono Cairo. Onderweg had Pastor al geruchten gehoord: de zangeres zong niet meer. In Cairo bevestigde men het slechte nieuws. Kort voor zijn aankomst had de zangeres last van haar stembanden gekregen. Alle optredens en opnamen waren afgezegd. Oum zou een operatie moeten ondergaan en het was nog maar zeer de vraag of ze ooit nog zou zingen. Dit veroorzaakte een run op de platen van de zangeres, alsof iedereen aan het hamsteren sloeg. Met pijn en moeite kreeg Pastor tachtig platen mee. In Alexandrië ging het autootje met de drie doosjes lp's op de boot naar Libanon om via Damascus, Aleppo en Istanbul terug te koersen naar de Spaarnestad. Daar werden de hoezen geschud en het woestijnzand voorzichtig van de platen geblazen. Vervolgens moest Karel Pastor het Arabisch alfabet leren om te kunnen ontcijferen welke platen hij van de Ster van de Oriënt had aangeschaft. De titels stonden alleen op het label zelf, de dikke kartonnen buitenhoezen waren alle eender. Na ontcijfering werd er keurig een etiketje getypt en op de hoes geplakt. Oum Kalsoum vertrekt naar de Verenigde Staten om een stembandoperatie te ondergaan. De Arabische wereld houdt de adem in. Het is wekenlang voorpaginanieuws en het belangrijkste onderwerp in de televisie- en radiojournaals. Deskundigen op het gebied van stembandoperaties worden voor de camera gehaald. Terecht wordt er gevreesd dat Oum nooit meer zal zingen. Acht maanden lang wordt er gespeculeerd over het welslagen van de operatie. Als eindelijk bekend wordt gemaakt dat Oum weer zal zingen, vrezen miljoenen dat de Amerikanen `het beste stukje van haar stemband' hebben weggenomen. De come-back is grandioos. In mei 1966 zingt ze in aanwezigheid van onder anderen Sovjetpremier Aleksej Kosygin tijdens het feest van de ingebruikname van de Aswandam. En kort daarop komt haar eerste optreden buiten de Arabische wereld. Veertig jaar na de eerste uitnodiging vraagt Parijs haar weer, voor twee concerten in 'le plus célbre music-hall du monde', het Olympia aan de boulevard des Capucines van Bruno Coquatrix. Samir Tewfi, verslaggever bij Egyptes grootste krant Al Akhbar, reist in hetzelfde vliegtuig met Oum naar Parijs en is samen met collega Mostafa Soliman van Cairo-televisie aanwezig bij de optredens. Ik word door beide senior-reporters ontvangen op Nileboat Sphinx ii die, als hij buiten het toeristenseizoen stil ligt naast de el-Galabrug, tijdelijk onderkomen biedt aan tal van journalisten, schrijvers, dichters en musici. Het is avond en ramadan. Tewfi, als Koptisch christen niet verplicht tot ontzegging van drank en voedsel `zolang je een witte van een zwarte draad kunt onderscheiden' (en het dus licht is), vast gedurende de ramadan gewoon mee `uit solidariteit met mijn collega's op de krant'. In Cairo is het einde van de vastendag magisch. De altijd lawaaierige stad van vijftien miljoen inwoners valt dan voor een halfuur stil. Iedereen zorgt ervoor om op tijd aanwezig te zijn voor dat moment, de minuut waarop die dag het avondontbijt, de iftar, mag worden genuttigd. Samir Tewfi moet lachen: `Radio en televisie halen rond dat moment dezelfde luister- en kijkdichtheid als dat met de live-concerten van Oum Kalsoum het geval was.' Ook al heb je geen radio of tv aan, dan nog is er geen vergissing mogelijk. Het is alsof er een kanonschot van stilte wordt gegeven. Geen wringende en toeterende verkeerschaos, geen geschreeuw van venters, geen schrille politiefluitjes, de miljoenen inwoners van Cairo zijn aan het kanen. Tewfi moet tijdens het breken van de vasten altijd automatisch aan Oum Kalsoum denken, `want als zij optrad, was het ook zo stil. Alleen duurde die stilte langer'. Na een halfuur komt de geluidsorgie van deze miljoenenstad weer langzaam op gang, om vervolgens tot een allesovertreffende herrie uit te groeien. Na de iftar ga je immers met alle vijftien miljoen de straat op om te laten horen dat je er nog bent. Op het dek van de Sphinx ii vertelt Tewfi over zijn trip met Oum naar Parijs. Aangezien de Franse organisator Bruno Coquatrix niet goed kan inschatten of deze Egyptische dame wel volle zalen zou weten te trekken, terwijl hij maar liefst [hsp]85[hsp]000 moet betalen, begint hij de voorverkoop twee maanden eerder dan normaal. Een uur nadat de kassa openging, waren de kaarten voor beide soirees uitverkocht. Uiteindelijk doen ze op de zwarte markt het twintig- tot dertigvoudige van de oorspronkelijke prijs. Drie weken voor het geplande optreden komt het slechte nieuws: het concert is voorlopig uitgesteld tot acht maanden later. Na de goed verlopen operatie aan haar stembanden wordt het Parijse optreden van de Ster van de Oriënt opnieuw aangekondigd. De aanvragen voor perskaarten is ongekend. Niet alleen vertegenwoordigers van alle Franse kranten en de met Oum meevliegende journalisten van de grootste Egyptische bladen willen de concerten verslaan, de lijst van correspondenten die nummer ope 47-20 aan de boulevard des Capucines bellen wordt steeds langer. Zeven velletjes vol namen: Constantin Chrysostalis van de Griekse radio, Jan Brusse met telefoonnummer ric 13-79 voor de Avro, Mme Anderson voor Noorwegen, L.J. Klein voor de Radiodiffusion Néerlandaise, een monsieur Van Gelder, ook al van de Radiodiffusion Néerlandaise, Ahmed Alaoui van het Marokkaanse dagblad al-Alam, Naftali Levine voor Kol Israël en de heer Bletz, correspondant de la Télévision Nerlandaise. Het eerste Olympia-concert, in 1966, verloopt chaotisch. Nadat het orkest de ouverture van `Al-Atlal' heeft gespeeld en de zangeres zich uit haar zetel verheft om de eerste woorden te zingen, staat er plotseling een man op het podium om haar te omhelzen. Als Oum een afwerend gebaar maakt, knielt de man voor haar neer en probeert haar voeten te kussen. Daarbij grijpt hij de zangeres bij haar enkels. Deze kan haar evenwicht niet meer bewaren en valt met een harde dreun achterover op de planken. Onmiddellijk zakt het gordijn en worden de zaallichten ontstoken. De schuldige slaat zich ontsteld een paar maal op het hoofd, staat enige momenten hulpeloos en met tranen in zijn ogen voor het voetlicht en wordt vervolgens weggeleid onder gefluit en getier van het publiek, waaronder Jacques Brel, Simone Signoret, Salvador Dal¡, Jean-Paul Sartre, Yves Montand, Gérard Jouannest, Léo Ferré, Jean Ferrat, Dalida, Georges Brassens en Enrico Macias. Minutenlang verkeert de zaal in onzekerheid of het concert wel verder zal gaan. Het voorval haalt alle bladen en Paris Match besteedt er een complete fotoreportage aan: de val van de Ster van de Oriënt wordt in drie verschillende stadia paginagroot afgedrukt. Na afloop van het concert verklaart Oum tegenover de pers: `Ik ben een eenvoudige Egyptische en heb niets gedaan om dit grote succes te verdienen.' Het imposantste van de vele gigantische bloemstukken die worden bezorgd, is afkomstig van Charley Marouani, de manager van Jacques Brel uit het Tunesische Sousse. De belangstelling van Oum gaat vooral uit naar één enkele witte roos met een briefje, van de veroorzaker van de val. Wat erin stond, is de aanwezige journalisten niet bekend. Het briefje verdwijnt na lezing in de handtas van de zangeres. Het concert dat Oum Kalsoum op 1 juni 1967 in Cairo geeft lijkt opnieuw haar laatste optreden te zijn. Niet dat er iets met haar keel aan de hand is, maar vijf dagen later breekt de zesdaagse oorlog uit, waarbij Israël de Gazastrook, de Sinaï, de Syrische Golanheuvels en Jordanië ten westen van de Jordaan, inclusief het oude stadsgedeelte van Jeruzalem, bezet. Noch de Veiligheidsraad, noch de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties komen tot een eensgezinde houding, uitgezonderd de eis dat de vroegere situatie in Jeruzalem hersteld moet worden. Een geëmotioneerde Oum Kalsoum maakt bekend dat ze pas weer zal zingen als de Palestijnen hun land terug hebben. Het is een extra domper op het toch al zo zwaar geteisterde moreel van de Arabische wereld: een verloren oorlog en de allermooiste stem, vol van hoop en verlangen, die weigert te klinken. Iedereen probeert Oum Kalsoum van haar besluit af te brengen: `Schenk ons uw troostende woorden' staat er boven een foto van de zangeres op de cover van een groot weekblad. President Nasser zelf brengt een bezoek aan haar huis aan de Abu el-Fidâstraat en smeekt haar weer te gaan zingen: `Uw muziek is zo ontzettend belangrijk voor de mensen.' Oum stemt toe weer op te treden, maar alleen als alle inkomsten ten goede komen aan de Palestijnse vluchtelingen en slachtoffers onder de Egyptische soldaten. Een paar dagen nadat ze het voor het eerst heeft gezongen, ligt het lied `Thuwwaar' (Revolutionairen) op de lippen van alle Arabieren: Wij zijn de revolutionairen - tot het uiterste, Waar we gaan bloeien de bloemen op, Zolang het Arabische volk de handen ineen heeft geslagen, Zal de revolutie doorgaan en de strijd zich overal verspreiden. In 1968 treedt Oum op in een uitverkocht el-Menzah-stadion in Tunesië. Het wordt gedeeltelijk vastgelegd op 16mm-film en vormt daarmee een van de zeldzame Kalsoum-opnamen in kleur. Na afloop wordt ze door president Bourguiba onderscheiden met de Grote Prijs van zijn republiek. Uit handen van de Egyptische president Nasser ontvangt ze datzelfde jaar een diplomatiek paspoort en de Medaille van Verdienste der Republiek, die op 18 december 1968 onder massale belangstelling van de Arabische pers wordt uitgereikt. De Egyptische ministerraad verleent haar tevens de Staatskunstprijs ter waarde van 2500 pond, welk bedrag door de gelauwerde wordt gestort in een pensioenfonds voor artiesten. Kolonel Omar Moammer Khadafi grijpt op 1 september 1969 de macht in Libië. Een eerdere poging, de maand daarvoor gepland, moest worden uitgesteld omdat op die avond Oum Kalsoum een concert gaf. De planning van de kolonel is nu beter en drie dagen voor Oum opnieuw optreedt, wordt de bejaarde koning Idriss afgezet en wordt het land een republiek. Kort na haar terugkeer in Cairo van het optreden te Baalbek in Libanon in 1970, waar ze onder meer haar beroemde lied `Assaal Rouhaq' (Vraag je ziel) zong, brengt George Ibrahim Khouri samen met de bekende schrijver Said Fariha en de zonen van de zus van Oum Kalsoum, Mohamed en Rifaat Dassouki, een avond met de artieste door. Khouri vertelt Oum Kalsoum dat er de laatste tijd veel kritiek was op de lengte van haar liederen; ze zijn erg lang, `terwijl wij in een snelle tijd leven'. Zangeressen als de Libanese Fairouz hebben veel succes met hun korte nummertjes. Oum Kalsoum antwoordt: `Mijn liederen zijn eigenlijk niet echt lang, eigenlijk heb ik niet één lang lied. Maximaal zijn het liederen die ongeveer twintig minuten, zeg maar een halfuurtje zouden duren. Dat kun je zien op de platen. Maar als de liederen tijdens zo'n concert worden uitgevoerd, dan wordt het anders. Want ik en het lied worden van het publiek, dat bepaalt hoe lang zo'n lied moet duren, en of er gedeelten herhaald moeten worden.' Dit gesprek had plaats in het Stowra Park Hotel, waar Oum een feestje kreeg aangeboden ter gelegenheid van haar succes in Baalbek. Na afloop was de zangeres een beetje ziek. George Khouri vroeg of ze misschien pillen nodig had om te kunnen slapen. Oum antwoordde resoluut: `Nee, niks geen chemie, ik wil liever gewoon rust.' Kort daarop, op 28 september 1970, sterft misschien wel de grootste fan van de zangeres, president Nasser, op tweeënvijftigejarige leeftijd aan een hartaanval. Honderdduizenden door verdriet overmande Egyptenaren stromen samen rond het Kubbethpaleis in Cairo waar het lichaam ligt opgebaard. Op de dag van de begrafenis volgt Oum de gebeurtenissen via de televisie. De omvangrijke wenende menigte roept `Nasser, Nasser' en doorbreekt de afzetting van soldaten en politieagenten langs de tien kilometer lange route, waarbij honderden gewond raken en de baar bijna ondersteboven wordt geduwd. Na drie uur bereikt het stoffelijk overschot de gloednieuwe moskee in de buurt van Cairo waar de president in een witte lijkwade wordt begraven op de plek waar hij in 1952 het sein had gegeven voor de staatsgreep tegen koning Faroek. Er zijn naar schatting twee miljoen mensen op de been. Tot Oum Kalsoums begrafenis zou de teraardebestelling van Nasser als de drukstbezochte in de moderne geschiedenis te boek staan. De concerten van 1 oktober en 5 november worden in verband met de veertigdaagse rouwperiode afgelast. Nasser wordt opgevolgd door Anwar Sadat, vanwege zijn loyaliteit jegens zijn voorganger wel spottend `Nassers poedel' genoemd. Nasser was een vaste bezoeker van de concerten van Kalsoum en had alle platen van haar in huis. Mevrouw Nasser kwam zelden in beeld, maar hoe zal dat zijn met de nieuwe first lady? Cairo gonst van de geruchten. De echtgenote van de nieuwe president, mevrouw Jihan Sadat, zou de Libanese zangeres Fairouz prefereren. Ze zou tijdens het tennissen op de sportclub van Gezîra gezegd hebben dat ze niet begreep waarom de Egyptische mannen nog steeds naar dezelfde zangeres luisteren als hun grootvaders toen deze jong waren. Mevrouw Sadat zou het niet zo goed kunnen hebben dat er een Egyptische vrouw was die hoger werd geschat dan zijzelf. Waren de beide dames gelijktijdig aanwezig bij een of andere officiële aangelegenheid, dan zouden ze zo ver mogelijk uit elkaars buurt blijven, zo `wist' men. Volgens wijlen Kamal el-Mallakh van Al Ahram waren al deze verhalen uit de lucht gegrepen. Er was absoluut niets aan de hand. De dood van Nasser had, behalve het verlies van een toegewijd bewonderaar, verder geen verandering voor Oum Kalsoum ten gevolg. El-Mallakh: `De mensen waren toch helemaal niet geïnteresseerd in mevrouw Sadat. Alle aandacht ging als vanouds naar de Ster van de Oriënt, ons belangrijkste exportprodukt. Er werd wel beweerd dat we na de dood van Nasser de Libanese zangeres Fairouz ten koste van Oum propagandeerden. Dat is onzin. Fairouz was toen al een uitstekend artieste. Gehuwd met een begenadigd componist, Elias Rahbani. Maar Oum Kalsoum was al tijdens haar leven een legende, een cultus. Het gebeurde dat er één miljoen dollar werd geboden voor de sjaal die zij tijdens haar optredens in de hand hield. Maar de oliesjeik die zo met miljoenen liep te smijten, kreeg hem niet. Mevrouw Kalsoum had zijn miljoenen niet nodig en schonk haar sjaal die avond aan een vrouwtje dat tien jaar had gespaard om het concert bij te kunnen wonen. De Koeweiti werd door de gelukkige nieuwe eigenares van de sjaal afgebluft met de mededeling dat ze die "voor nog geen tien miljoen Amerikaanse dollar" van de hand zou doen.' Ook in Nederland is Oum in die tijd onder trendsetters een cultfiguur aan het worden. Dat gebeurt wanneer haar man, de dermatoloog dr Hasan el-Hifnaawy, een gastcollege geeft aan de Utrechtse universiteit. Als eerste in Europa draait Koos Zwart `Amal Hayati' in het Vara-programma (P)opdonder +. Het weekblad Hitweek schrijft een groot artikel over het fenomeen. Willem de Ridder interviewt platenhandelaar Karel Pastor over `zijn ontdekking' en zelfs bij de Tros klinkt de Ster van de Oriënt meerdere malen per maand in Willy Langestraats (Laguestra) programma Van heinde en verre. Oum Kalsoum zal zelfs op de Nederlandse televisie verschijnen! Haar Europese televisiedebuut betreft een tien minuten durende opname van het nummer `Al Atlal', gemaakt tijdens haar optreden in het el-Menzah-stadion in Tunesië. In 1968 ontvangt de zangeres een pakje uit Holland. Het verhaal over een Arabische zangeres die meer platen verkoopt als Elvis Presley en de Beatles samen is tot achter de duinen doorgedrongen. Jaren voordat sterren als Michael Jackson of Madonna worden gemerchandised, ondernemen de Universele Textieldrukkers (utd) uit Heemstede, gespecialiseerd in het drukken van vlaggen en vaandels, een poging. De ontwerper van de firma koopt in Haarlem voor [hsp]28,50 een lp en zet het gezicht en Arabisch opschrift op kodatrace. Als aardigheidje en buiten medeweten van de directie stuurt hij een xl-shirt naar `Miss Kalsoum, Egypt', die ongetwijfeld vreemd heeft opgekeken naar het t-shirt waarop haar hoofd stond gezeefdrukt. Ze laat haar secretaresse een in het Arabisch geschreven briefje sturen. Als `tegengeschenk', vergezeld van een van haar sjaals. utd-directeur Piet-Hein Krom meent met een monster van een Egyptische textielfirma van doen te hebben. Onder het motto `Uitstekende kwaliteit, maar absoluut ongeschikt om op te zeefdrukken' gooit hij de sjaal bij de poetsdoeken, daarmee een miljoen wegsmijtend. Oum Kalsoum verdwijnt van de Nederlandse radio als Tros-directeur André Meurs sterft. De maker van het programma waarin zij regelmatig te horen was wordt door de programmaraad op het matje geroepen. Die vaste zestigduizend luisteraars is véél te weinig, mijnheer Langestraat. Het moet maar eens afgelopen zijn met dat Arabische gejengel. Volksmuziek, oké, maar dan wel uit landen waar de Nederlanders op vakantie gaan. De luisteraarrs nemen onmiddellijk wraak; hun aantal blijkt na een paar uitzendingen vol `Olé' en `Jodelohihi' met de helft te zijn gekelderd.
© 1991-2006 |