|
|||||||
|
|
|
|||||
|
|
|||||||
Haar mausoleum ligt aan de Fouad Seraj el-Dinstraat in de wijk el-Basâtîn in het zuidoosten van Cairo, niet ver van de Tombes der Mammelukken in wat `De stad der doden' wordt genoemd. Het is een bijna vierkant zandstenen gebouwtje met een lichtbruine houten deur en smalle, hoge ramen. Boven de ingang staat een vers uit de koran gebeiteld, dat eraan herinnert dat Allah voor de oprechte gelovigen het paradijs heeft voorbereid. Voor de ingang herhaalt een oude man met heldere stem de regels van een van haar bekendste liederen: `O, mijn hart, vraag niet: waar is de liefde? / Het was een luchtkasteel en stortte in elkaar.' Om het grafhuis staat een muurtje met daarop een smeedijzeren, zwartgelakt hekwerk. Het is in totaal achthonderd vierkante meter grond die door de zangeres werd gekocht na de dood van haar moeder in 1948. In 1953 werd hier haar broer Khalid begraven. Meer dan een halve eeuw schitterde Oum Kalsoum, de Ster van de Oriënt, van Marokko tot Perzië. Ze was meer dan een zangeres. Ze gaf de Arabische culturele identiteit als geen ander krachtige impulsen. Ze ging geen enkel compromis aan met westerse muziek, terwijl fragmenten van haar liederen ook nu nog dagelijks tussen de Ster-spotjes op de Nederlandse televisie te horen zijn.
Miljoenen huilden bij de dood van de in de armoede van een afgelegen dorp in de Nijldelta ontdekte diamant, die honderdvijftig miljoen Arabieren met de schittering van haar muziek boeide. Iedere keer dat ze een concert gaf waren de straten uitgestorven. Bijna een halve eeuw lang trad ze schier ononderbroken de eerste donderdag van de maand op in de bioscoop Kasr el-Nil of in het Azbakiyya-theater. De concerten werden sinds 1935 live uitgezonden, eerst alleen in Egypte, maar al snel in vrijwel alle landen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Op die dagen was voor de kranten de tekst van het nieuwe lied dat zij die avond zou zingen het belangrijkste nieuws op de voorpagina. Liepen de soms wel vier uur durende concerten uit tot diep in de nacht, dan verschenen de volgende morgen in de hele Arabische wereld de ochtendbladen een uurtje later en vertrokken treinen en bussen niet op tijd. Niemand die het stoorde. Dat hoorde er zo bij en de bewoners van het gebied tussen Atlantische Oceaan en de Perzische Golf waren het niet anders gewend dat eens per maand alles anders liep. Generaties in minstens twintig verschillende landen groeiden op met haar muziek. Khadafi moest vanwege het maandelijkse concert van Oum Kalsoum zelfs zijn revolutie uitstellen. Zijn mannen hingen in plaats van te revolteren tegen het gezag van koning Idriss Senoessi in tranen voor het televisiescherm. Zo'n honderd kilometer ten noorden van Cairo in de Nijldelta ligt het dorpje Tamay ez-Zahaira, waar ze werd geboren. De taxichauffeur die me van el-Simbillawein naar Tamay, brengt benadrukt haar vrome levenswandel en weet te vertellen dat wanneer Oum naar het buitenland ging, ze altijd haar gebedskleed en een kussen om op te slapen bij zich had. `Ze kon niet slapen op een ander kussen.' Twee mannen in lange gewaden gebaren me mee te komen. Ze springen over een irrigatiekanaaltje en jagen een groep witte eenden de stuipen op het lijf. Dan staan we voor het eenvoudige, met leem aangestreken huis: een geel gekleurde schoenendoos met hoge, piepkleine raampjes, zoals je ze hier overal aantreft. In deze schamele woning werd de zangeres geboren die meer platen verkocht dan de Beatles en Elvis Presley bij elkaar. De tijdens haar leven al legendarische Oum Kalsoum was in de tijd dat de Arabische landen verdeeld raakten, de alles overbruggende factor. Maar geen gedenktegel of andere herinnering memoreert het feit dat ze hier, in 1898, het levenslicht zag. Het was de tijd dat het muntstuk van een halve Gineih Masri (Egyptisch pond) nog uit puur goud bestond. `Waarom geen gedenkplaat?' herhaalt een van in de galabia's (lange gewaden) gestoken mannen mijn vraag. Het antwoord: omdat haar naam in onze harten is gegrift en er in ieder huis en elk winkeltje van Tamay een foto van haar hangt en iedereen weet waar ze is geboren. De foto van de genereuze artieste, `die immer bijsprong als de bewoners van Tamay ernstige financiële problemen hadden', hangt inderdaad overal. Niet alleen in haar geboortedorp, maar in de hele Arabische wereld neemt haar foto, vaak in de meest kitscherige lijsten, de ereplaats in. Hoe groot ze als zangeres ook geweest mag zijn, men zal hier niet nalaten keer op keer te benadrukken dat Oum Kalsoum een zeer eenvoudige en vooral diepgelovige vrouw was, die op tijd de vijfmaal daagse gebeden bad, de vastenmaand ramadan onderhield en de bedevaart naar Mekka volbracht. De familie heeft diepe wortels in Tamay. Zowel de voorouders van moeder Fatima als die van vader Ibrahim Said el-Belkaji woonden sinds mensenheugenis in dit door de eeuwen vergeten dorp. Samir, een zoon van haar oudste broer Khalid, is hier boer. Na de geboorte van zoon Khalid en dochter Saïda werd Oum Kalsoum geboren. In de niet ver van het gehucht gelegen moderne stad el-Simbillawein is de eerste registratie van Oum het pronkstuk van het districtsarchief. Het stamt uit 1907, acht jaar na haar geboorte, en het bijzondere is dat haar precieze geboortedatum vermeld wordt, in tegenstelling tot die van de meeste bewoners van de Nijldelta. De inheemse bevolking werd in het algemeen alleen geteld vanwege de belastingen. Een specifieke aangifte van alle nieuwgeborenen zou het koloniale Britse ambtenarenapparaat maar overspannen doen raken. Dat men Oums exacte geboortedatum weet, komt omdat ze op zo'n bijzondere nacht werd geboren: de meest heilige nacht, leilat al-Qadr, van de belangrijkste maand van het islamitische jaar, de ramadan. Zoiets vergeet je niet, ook al viert men in Egypte geen verjaardagen en gissen de meeste mensen naar hun eigen leeftijd. Het was de 27ste ramadan van het jaar 1316, en dat staat gelijk aan 30 december 1898 volgens de gregoriaanse jaartelling. Het was op deze dag van de ramadan dat aan de profeet Mohamed door de engel Gabriël het eerste koranvers werd geopenbaard. De naam Oum is in veel Arabische landen en zeker in Egypte een term van respect voor gehuwde vrouwen. Tot de dames hun eerste kind baren, zijn ze `de dochter van' (Bint). Na de geboorte van haar eerste kind wordt ze `moeder van' (Oum) genoemd, welke aanduiding wordt gevolgd door de naam van de oudste zoon: Oum Rashid of Oum Ashraf. Oum Kalsoum had geen zoon die Kalsoum heette. Haar drie huwelijken ten spijt is ze haar leven lang kinderloos gebleven en ze betreurde dit zeer (veel kinderen hebben is in Egypte heel belangrijk). Ze droeg haar naam sinds haar geboorte, vernoemd naar de jongste dochter van de profeet Mohamed bij zijn vrouw Khadidja. De meer dan twaalf eeuwen tussen de eerste en tweede Oum Kalsoum trekken schijnbaar onopgemerkt over dit land. Zo kosmopolitisch als de steden Alexandrië en Cairo zijn, zo onveranderlijk is het leven in de Nijldelta, waar de fellahîn (boeren) _ uitgezonderd de komst van de televisie _ nog net zo leven als hun voorouders. In de stad en op het platteland staat gastvrijheid hoog in het vaandel. Er zullen maar weinig bezoekers naar Egypte komen of ze worden al snel uitgenodigd voor een glas thee, een maaltijd of een bruiloft. Maar vooral in de Nijldelta wordt snel duidelijk dat hier een totaal gemis aan tijdsgevoel heerst. Efficiëntie is iets onbelangrijks zolang ze niet bijdraagt aan een gemakkelijk leven. Even buiten het geboortedorp ligt een puinheuvel: resten van het faraonische Egypte van voor onze jaartelling. Als klein kind heeft Oum Kalsoum hier gespeeld, en net als de andere kinderen van het dorp heeft ze hier waarschijnlijk naar schatten gezocht. In de betere archeologische gidsen van Egypte staat dat met name deze puinheuvel erg is toegetakeld door de sabbachin, de naam voor het gilde dat zich specialiseert in het mollen van historische bouwwerken om daar goedkope meststof (sabbach) van te maken. Er werd ook wel wat anders weggehaald dan sabbach. In Tamay vertelt men dat er `in de tijd van de Britten' op deze plek een van de farao's van de negenentwintigste dynastie afkomstige verborgen schat van vele kilo's zilveren amuletten en ringen is gevonden. En dat de Britten toen op hoogst onbeschofte wijze huiszoekingen hebben verricht, waarbij ze zonder pardon binnendrongen in de vrouwenvertrekken. Iets waar men zich, zoveel jaren na dato, nog steeds over weet op te winden. Oum groeit op in een traditionele familie met religieuze achtergrond. Haar vader verdient weinig: hij is keuterboer en geestelijke van de dorpsmoskee. Omdat zijn inkomen niet voldoende is om de familie te onderhouden, verdient hij er samen met zijn oudste zoon Khalid wat bij als reciteur van de koran tijdens hoogtijdagen, bijeenkomsten en speciale gelegenheden als de terugkeer van bedevaartgangers uit Mekka. Vader Ibrahim ontdekt al vroeg zijn dochters muzikale talenten en schitterende stem en neemt haar mee naar een optreden tijdens een huwelijk in het dorp. Haar eerste publieke optreden is een groot succes. De kleine nachtegaal zingt tot diep in de nacht en bezorgt de familie een goede maaltijd. Daarna is Oum Kalsoum steeds vaker aanwezig om met vader en broer op religieuze feesten te zingen. Haar snel groeiende faam bezorgt de familie een aardige aanvulling op het inkomen. Zolang er in Tamay wordt opgetreden, gaat alles goed. Het dorp kent de familie en Oum kan een voorbeeld worden genoemd waar het eer en waardigheid betreft. Maar wanneer er buiten het gehucht wordt opgetreden, is zo'n zingende dochter een probleem: zangeressen werden en worden nu eenmaal geassocieerd met lichte zeden. Zo'n traditie gooi je niet een-twee-drie overboord. In het Egypte van de farao's waren het wulpse zingende slavinnen die het mannenhoofd op hol brachten. Later kwamen `verleidelijke zondaressen met kleine voetjes', opgeleid op de zangscholen van Kufa, naar de Nijl om daar de zonen van de voorname geslachten `door hun gezang en altijd tot kussen gereedstaande lippen in hun netten te verstrikken'. Ook de verhalen over de losbandige Olaïa, de zingende halfzuster van kalief Haroen al-Rashid uit Duizend-en één-nacht, hadden wegens haar vele liefdesavonturen de eeuwen overleefd. In de betere kringen vond men het ook in de tijd van de jonge Oum Kalsoum aangenamer zich met bekoorlijke zangeressen op te houden dan om met de wettige echtgenote eerzame gesprekken te voeren over de huishouding. Publieke zangeressen leidden een nauwelijks omsluierd bordeelleven en werden Khawari's genoemd. In het Egypte van rond de eeuwwisseling was het openbare optreden van een vrouw bij het gewone volk zelfs in het mondaine Alexandrië en Cairo taboe. Op meer profane volksfeesten traden met veel succes Khawal's op, als danseressen verklede kerels. Als de faam van Oum ook buiten haar dorp doordringt en er uitnodigingen vanuit andere plaatsen binnenkomen, heeft vader Ibrahim het er moeilijk mee. Uit voorzorg dat men weleens verkeerde gedachten zou kunnen ontwikkelen omtrent de zingende dochter van een geestelijke, moet Oum van haar vader jongenskleren aantrekken. Dat blijft zo, ook als haar lichaam zich ontwikkelt en er allerhande nare grapjes en vreemde complimentjes aan het adres van dat zo glashelder zingende `knaapje' worden gemaakt. De kwaliteit van het gebodene echter staat buiten elke discussie. Oum is zestien jaar als de eerste wereldoorlog losbarst. Groot Brittannië ruikt de kans grote delen van het wankelende Osmaanse rijk in te pikken en raakt dus snel in oorlog met Turkije. Tenslotte is de sultan bondgenoot van Duitsland en persoonlijk bevriend met Kaiser Wilhelm. De Britten, die tweeëndertig jaar eerder Egypte hadden bezet, zetten de van origine Turkse onderkoning, khedive Abbas Hilmi, af als deze op bezoek is bij de sultan in Istanbul. Hij wordt vervangen door zijn oom Hussein Kamil en de Britten verklaren het land tot Engels protectoraat. De toch al weinig florissante situatie op het Egyptische platteland gaat nog verder achteruit. Er wordt bittere armoede geleden. Er gaapt een groot gat tussen de upper-class en het volk. In tegenstelling tot de armoede in de Nijldelta kent men aan het Egyptische hof geheel andere problemen. In 1917 verslikt de door de Britten gedoogde onderkoning Hussein Kamil zich tijdens een van zijn vele overdadige banketten in het Abdinpaleis en even later stikt hij. Zijn zoon weigert hem op te volgen, uit angst voor zijn leven, en dus gaat het onderkoningschap naar Fouad, de laatst overlevende zoon van de wellustige khedive Ismaël (1863-1879). Twee jaar later wordt kroonprins Faroek (de in 1952 afgezette laatste koning van Egypte) in Cairo geboren en strooit de trotse vader handjes geld vanaf het balkon van het paleis. Het samengestroomde volk is teleurgesteld. In plaats van goud en zilver is het voornamelijk koperkleingeld dat over hen neerdaalt. Een belangrijk moment in Oums leven is de dag waarop de toentertijd bekendste zanger van religieuze liederen, sjeik Abu el-Alaa, haar hoort zingen. Hij prijst haar vanwege haar melodische behandeling van de toonreeksen die men `makam' noemt. De makam verenigt modale en tonale concepten, in het bijzonder tonen die zich bevinden in de omgeving van en gebonden zijn aan de slottoon van een melodie en een toon die in het verloop van de melodie een zwaartepuntfunctie krijgt, en een tijdelijk rustpunt is waarop de melodie tussencadansen kan maken. De vanwege zijn bijzondere stem in heel Egypte bekende sjeik Abu el-Alaa weet vader Kalsoum te overtuigen van het feit dat zo'n godsgeschenk als de stem van zijn dochter verder ontwikkeld dient te worden. Het is, ter meerdere ere van God, vooral van belang dat ze de waarde van de woorden die ze zingt leert begrijpen, want hoewel het jonge wicht een gigantisch geheugen blijkt te hebben en zonder moeite de langste strofen uit het hoofd leert, mankeert daar het een en ander aan. Abu el-Alaa wil hierbij graag helpen. Hij vestigt zich in de dorpsmoskee en onderwijst van zonsopgang tot aan de siësta in de waarde van het woord en de juiste uitspraak daarvan. In de namiddag maakt hij Oum vertrouwd met het grote repertoire van liederen voor speciale gelegenheden en feesten. De sjeik wordt Oums leraar en vertrouweling en zal tot zijn dood elk concert van haar bijwonen. Tussendoor helpt Oum haar moeder Fatima met het huishouden en water halen. De waarheid blijft niet lang geheim. Vrijwel iedereen is op de hoogte dat de schuchtere `jongen' op de achtergrond in werkelijkheid de dochter van de dorpsgeestelijke is, met de mooiste stem en meest perfecte articulatie ooit gehoord. De belangstelling voor dit fenomeen wordt extra geprikkeld door de verkleedpartijen. Als dit eindelijk ook bij vader Kalsoum doordringt, is het snel afgelopen met deze travestietenshow. Dochter Kalsoum laat zich, geheel volgens de geldende fatsoensnormen, niet langer in het openbaar horen en wacht keurig thuis af of zich een geschikte echtgenoot zal aanbieden. Wat er in deze periode precies gebeurt, is moeilijk te achterhalen. Zeker over deze episode in het leven van de artieste in spe hangt een waas van legendevorming. Het verhaal wil dat ze iedere eventuele huwelijkskandidaat afwees omdat geen haar beloofde dat zij na haar huwelijk eens per maand zou mogen optreden. Er wordt voorlopig dan ook niet getrouwd en het gaat de familie niet langer voor de wind. Nu Oum zo keurig thuis blijft bij moeder Fatima, heeft men nauwelijks nog interesse in het optreden van vader en zoon Khalid. Men wil hen alleen laten optreden als ook de nachtegaal aanwezig is. Op een gegeven moment moet pa het gezeur van de mensen, die hem ervan beschuldigen dat hij hun zo'n godsgeschenk onthoudt, te veel zijn geworden. Of was het door de grote som geld die werd geboden dat er een plotselinge come-back van zijn dochter in de nabijgelegen stad el-Mansra plaatshad? Zoals over veel dingen doen ook hierover de nodige verhalen de ronde. Zeker schijnt te zijn dat Oum op dat moment niet langer in jongenskleding zingt. Half Tamay reist mee naar de stad waar ze zal optreden. Als de keurige jonge vrouw verschijnt, gedragen de mensen zich naar haar vaders mening blijkbaar iets te enthousiast. Snel wordt ze weggewerkt en de politie moet eraan te pas komen om het dolgedraaide publiek te kalmeren. De boel dreigt te escaleren als ineens vanaf het platte dak de heldere stem van Oum klinkt. Volgens de overlevering zijn zelfs de politieagenten tot tranen toe geroerd door het religieuze lied dat de zangeres laat horen. Van tijd tot tijd wordt ze door de notabelen uitgenodigd om bij hen thuis te komen zingen. Een van hen, Tewfiq Zaahir, raadt Oum aan om naar Cairo te verhuizen. Daar valt veel meer te verdienen dan die paar piaster die ze op het platteland bij elkaar zingt. Vader Kalsoum zal wel even hebben moeten slikken als ook Abu el-Alaa hem adviseert zijn dochter naar Cairo te laten gaan, omdat het leven in Tamay haar talent en ontwikkeling te zeer zou tegenhouden. Het broeit in de Egyptische hoofdstad. Het is de tijd dat de Wafd-partij van de Britse `protector' erkenning van de onafhankelijkheid van Egypte eist. Verbanningen, relletjes en stakingen zijn aan de orde van de dag. Uiteindelijk geeft Engeland toe, hoewel het zijn bezettingstroepen in Egypte houdt en niet afziet van zijn oude `rechten' op het Suezkanaal en de Soedan. In naam wordt het land zelfstandig en op 15 maart 1922 roept onderkoning Fouad zich uit tot koning van Egypte. Drie jaar later doet kozakkengeneraal Reza Chan in Iran hetzelfde en noemt zich Reza Sjah Pahlevi. Ibrahim Kalsoum kon onmogelijk vermoeden dat de zonen van beide monarchen zich tot fanatieke fans van zijn dochter zouden ontpoppen. Tot dan toe vond hij het allemaal wel leuk en aardig, en bezorgde het de familie een behoorlijk extra inkomen, maar zijn dochter naar dat verderfelijke Cairo... als zangeres... Er zijn grenzen en belangrijker zaken. Het wordt hoog tijd dat dochterlief eens serieus aan de man wordt geholpen. Ze helpt zich daar echter zelf aan en de ouders moeten een zucht van verlichting hebben geslaakt. Het eerste van haar drie huwelijken vindt echter pas plaats nadat Abu el-Alaa met vader Ibrahim en de wonderdochter medio 1925 vanuit el-Simbillawein het treintje naar Cairo nemen om hun intrek te nemen in hotel Jordan House. Van het Jordan House, een van de vier plaatsen waar Oum in Cairo zal wonen, is nu geen spoor meer te vinden. Het perceel blijkt jaren geleden te zijn opgekocht door zanger/componist Mohamed Abdelwahab. Die het liet slopen om er zijn Gendoul-gebouw neer te zetten. Vervolgens zal Oum nog een tijd in de Tutstraat in de wijk Âbdîn verblijven, voor ze een flat aanschaft in het Shams-gebouw op het Nijleiland el-Gezîra. Op ditzelfde eiland, in de chique wijk ez-Zamâlik, laat ze later in de aan de oever gelegen Abu el-Fidâstraat een villa bouwen waarin ze zevenentwintig jaar lang, tot haar dood, zal wonen. De Abu el-Fidâstraat heet nu Shâria Oum Kalsoum. Na aankomst in Cairo zoekt Oums vader een luitleraar voor haar. Ze krijgt ongetwijfeld les van een grootheid, want de lessen kosten maar liefst drie pond per maand, een flink bedrag in die dagen. Ze krijgt onderricht in de toontrappen die in de Arabische muziek worden gebruikt, geselecteerd uit de intervallen die worden verkregen door de evenredig zwevende 24-deling van het octaaf. Volgens deze stemming komen binnen het octaaf vierentwintig in gelijke kwartstoonafstanden verdeelde tonen ter beschikking. In de makam-toonreeksen heeft elke toontrap een naam. In Cairo treft de zangeres een veel kritischer publiek, waarvoor persoonlijkheid en stemgebruik beduidend belangrijker zijn dan de muziek of de teksten die ze zingt. Er zijn twee klassen entertainers: die voor de rijken en die voor het gewone volk. Oum zingt in eerste instantie voor deze laatste groep en ontmoet de nodige problemen omdat men liederen uit het populaire genre verwacht. In plaats daarvan wordt men getrakteerd op de traditionele tawashih, een poëtisch genre dat zich in de tiende eeuw in het islamitische Spanje ontwikkelde en dat men door de eeuwen heen is blijven zingen. Dit veroorzaakt spanningen tussen haar en het publiek. Oum gaat dan wel geen losbollige liedjes zingen, toch verandert ze vanaf 1925. Het mannenkwartet dat haar vocaal begeleidde, wordt vervangen door een klein ensemble. Haar begeleider en leraar Abu el-Alaa zoekt daarvoor de beste musici bij elkaar: oude, ervaren mensen, die dachten uitgeteld te zijn, worden gevraagd deel uit te maken van haar eerste orkest. Dat bestaat uit ud (luit), kanun (citer), rietfluit (nay), viool en vaastrommel (darbuka). In de klassieke muziek van de Oriënt bestaat niet zo'n nauwe binding met het notenbeeld van een compositie als in de Europese klassieke muziek. Alleen de hoofdlijn van de muziek staat vast en Oum is dan ook gedwongen de vaststaande stukken bij uitvoering op te smukken met versieringen, onderbrekingen en effecten, zodat haar persoonlijke stijl een wezenlijk bestanddeel van de uitgevoerde compositie wordt. Hierdoor is elke uitvoering van hetzelfde stuk telkens een nieuwe versie. Oum Kalsoum blinkt uit in haar behandeling van de taksim, een vaak gebruikte en geliefde improvisatievorm. Als ze ontdekt dat een bepaalde zin of bepaalde strofe in de muziek aanslaat bij het publiek, gaat ze dit speciale fragment herhalen, steeds op andere wijze, in een andere toonhoogte. Haar verbazingwekkend flexibele stem stelt haar in staat dit keer op keer anders te doen, soms wel vijf minuten lang, wat tot een ware extase en vervoering bij de toehoorders leidt. Ze maakt zowel muziek als tekst ondergeschikt aan haar stem. De begeleidende musici moeten met hun instrumenten haar stem volgen en niet andersom. Soms verandert ze naar eigen inzicht stukken tekst of laat ze hele zinnen weg, ook al zijn ze geschreven door de meest begaafde auteurs. Haar leraar Abu el-Alaa gaat op zoek naar componisten, omdat er betere muziek nodig is om Oums stem van onvergelijkbare kwaliteit en ongekende reikwijdte volledig tot zijn recht te laten komen. Wie anders in Egypte kan van het hoogste tot het laagste register zo egaal zingen en heeft zo'n perfecte articulatie? Vanaf het eerste moment verloopt haar concert volgens strakke regels, die nimmer gewijzigd zullen worden. De zangeres houdt geen praatjes. Haar concerten zijn opgezet als klassieke concertsuites. De instrumentale tussenstukken geven Oum gelegenheid wat uit te rusten en vormen door de virtuositeit die zij vereisen een uitdaging voor de musici. In de grammofoonplatenstudio van Victor in Cairo wordt begin 1925 het lied `Mali Fotent Belahzeki' opgenomen. Victor betaalt Oum zes Egyptische pond. Men weet eigenlijk niet goed wat men kan verwachten van het nummer. De trend op dat moment neigt naar `vlot, hitsig en hijgerig'. Het is dat sjeik Abu el-Alaa, hun best verkopende Arabische artiest op dat moment, zo aandringt. Uit welk gat in de delta kwam dat zangeresje ook weer? En gelooft die el-Alaa echt dat ze daar in Cairo op zitten te wachten? Dat men tien piaster zal betalen om dat plaatje aan te schaffen? Platenmaatschappij Victor gaat over tot een ongekende promotie. De eerste plaat van Oum kan, na aanbetaling van een piaster, ook op krediet worden gekocht. Het wonder geschiedt. `Mali Fotent Belahzeki' wordt een gigantische hit. Oum Kalsoum wordt er financieel niet beter van. Ze heeft haar honorarium al ontvangen en daarmee is wat Victor betreft de kous af. Natuurlijk zijn ze maar al te bereid om snel nog wat plaatjes te maken. Tot grote tevredenheid van Oums vader blijft haar repertoire ook in Cairo voorlopig bestaan uit de klassieke poëzie en liederen over het leven van de profeet Mohamed en de vier rechtgeleide kaliefen. De mensen van Victor willen meer, want met zo'n stem valt goud te verdienen. Maar het zou platina of diamant zijn als er iets populairs uit haar keel zou komen. Keer op keer weerstaat ze de druk om musiqa sharbeya (populaire muziek) te maken. Zangeres zijn is al op het kantje, en op geen enkele manier wil ze haar familie te schande maken. De meer dan zevenhonderd verschillende liederen die zij uiteindelijk zou zingen, zijn het werk van in totaal tweeëntwintig dichters en dertien componisten (naast de twee liederen die Oum zelf componeerde). Verreweg de meeste teksten zijn afkomstig van Ahmed Rami. In de loop van de kleine halve eeuw die haar carrière omspant, zal Oum meer dan tweehonderdvijftig gedichten van Rami zingen, waaronder de millionsellers `Ya Zalemni', `Ya Massaharni', `Aqbal el-Leil', `Ya ma Amar el-Fourak' en Rami's vertaling van het Perzische `Robaiyat al-Khayyam'. Ahmed Rami zal van grote invloed zijn op Oums liefde en waardering voor poëzie en haar enorme populariteit onder de gewone mensen. Dichtkunst kent een grote traditie in de Arabische wereld. Eeuwen voor de komst van de islam bloeide op het Arabisch schiereiland de poëzie. Gelijk met de jaarmarkt in Mekka werd er jaarlijks een grote algemene zang- en poëziewedstrijd gehouden. Het bekendst zijn de Mouallakat-gedichten, die, na de prijs te hebben gewonnen, met gouden letters op zijde werden geborduurd en om de Kaaba gehangen. De poëzie is bij gemis aan iedere andere soort literatuur de enige overleveringsbron voor de allervroegste geschiedenis der Arabieren. De voor-islamitische dichters (tot ca 600 na Chr.) schilderden levendige beelden, ontleend aan het leven in de woestijn. Persoonlijke en lyrische ontboezemingen van Imroulkaïs, de beroemdste dichter uit het pre-islamitische tijdperk, verheerlijkten met grote vrijmoedigheid de liefdesbetrekkingen die hij onderhield. Dit stamhoofd der Banou Assad in het binnenland van Arabië leidde een avontuurlijk leven. Hij bezocht zelfs de Byzantijnse keizer in Constantinopel en stierf op zijn terugreis in de omgeving van het tegenwoordige Ankara in Turkije. De uitbreiding van het Arabische rijk bracht contact met andere culturen voort. Al snel vertaalden de Arabieren Perzische en Griekse teksten. De dichtkunst bloeide in Damascus, de `lusttuin der liefde', de stad van liefdesdromen in zwoele nachten bij rozegeuren en klaterende fonteinen. De koran verplicht de paren tot wederzijdse tederheid en hartelijkheid. Voor iedere liefkozing werd genade in het toekomstige paradijs beloofd. Ook dichtkunst is aan mode onderhevig. In Damascus wierpen de poëten zich vooral op `bleke wangen', zeker wanneer deze het gevolg waren van liefdesverdriet. Dan kende de fantasie der Arabische minnezangers geen grenzen. De Arabische wereld is een complex weefsel van verscheidenheid en variatie, maar ze vormt toch een eenheid met veel eenheidsbevorderende factoren. Het gesproken Arabisch verschilt van regio tot regio en zelfs van land tot land. Een moderne versie van het klassieke Arabisch van de heilige koran, dat men literair Arabisch zou kunnen noemen, wordt echter in de hele Arabische wereld begrepen en gebruikt in kranten en door de nieuwslezer op radio en televisie. Het is eveneens de taal van inter-Arabische bijeenkomsten. Toch is het Egyptisch-Arabisch waarschijnlijk het meest verbreid van alle nationale varianten, mede door de Egyptische films en televisieseries, die in de hele regio veruit het meest bekeken en het populairst zijn. De meeste Arabieren hebben eveneens de liefde voor muziek en poëzie gemeen. Zo kon Oum Kalsoum later, ondanks haar hoge leeftijd, in elke uithoek van het Midden-Oosten haar gehoor tot tranen toe bewegen. Oum zong voor het gewone volk. Haar thema's waren bijna altijd een verloren liefde, dapperheid en droefenis, of religieuze gezangen. Onbekende, nooddruftige dichters worden van de ene op de andere dag beroemd en zien hun gedicht op de voorpagina's van de kranten gepubliceerd omdat Oum het gaat zingen. Vanuit de hele Arabische wereld zond men haar teksten toe. Neem prins Abdalla al Faisal, de oudste zoon van de Saoedische koning die in 1973 een olieboycot over Nederland en de Verenogde Staten uitriep. Oum Kalsoum heeft drie van zijn gedichten door Riad el-Sonbati op muziek laten zetten, waaronder `Theaourat al Shak'. Zijn grootvader had hem in 1952 benoemd tot eerste minister van Gezondheid. Hij was een uitmuntend bestuurder, maar verliet de regering onder koning Saoud om zich geheel aan zijn hobby te kunnen wijden: het schrijven van gedichten. Nooddruftig is deze dichter niet te noemen. Naast een flink aandeel in het immense familiekapitaal bezit prins Abdalla de Saoedische agentschappen voor Sony en bmw en heeft hij ook nog een oliepijpenfabriek die exporteert vanuit Saoedi-Arabië. Oum keek niet naar van wie het gedicht dat haar ontroerde afkomstig was. Trof haar iets in de haar toegezonden poëzie, dan speelde ze de tekst in handen van een van haar vaste componisten als Riad el-Sonbati, Zekeria Ahmed, Mohamed Abdelwahab en Baligh Hamdi. Een van haar allergrootste successen gedurende de zevenenveertig jaar dat zij platen maakte was het nummer `Al Atlal', op tekst van Ibrahim Nagi en muziek van Riad el-Sonbati. Het begint met de woorden: O, mijn hart, vraag niet: waar is de liefde? Het was een luchtkasteel en stortte in elkaar. Geef mij een dronk en drink op de ruïnes, Vertel me ervan zolang je tranen vloeien, Hoe kwam deze liefde tot een einde? Hoe werd het een verhaal van zielepijn? Liefste, ik vergeet je niet, Want je hebt me verleid Met een mond vol zoete en hoopvolle woorden En je handen naar me uitgestrekt Zoals handen zich uitstrekken Naar een drenkeling in de golven. Muzikaal gezien drukt naast Riad el-Sonbati ook de in 1991 overleden bijna blinde zanger/componist Mohamed Abdelwahab zijn stempel op haar muziek. Meer dan haar andere componisten, Baligh Hamdi uitgezonderd, treedt Abdelwahab als componist qua vorm en thema buiten de klassieke stijl van de Arabische muziek. In zijn composities herkent men flarden van Griekse en Russische volksmuziek of pastiches van Europese klassieke componisten. Schrijver George Ibrahim Khouri bracht in de zomer van 1970 een avond door in hotel el-Bustân Beit Marri in gezelschap van Abdelwahab en vroeg hem naar zijn ervaringen met Oum Kalsoum. De hofcomponist antwoordde: `Mijn eerste ontmoeting met Oum Kalsoum had plaats in het huis van de vader van Abubakr Ghairet, een notoir liefhebber van muziek. Toen ik voor het eerst voor haar componeerde, voelde ik me als iemand in een mooie vreemde stad waarin ik mocht komen luisteren maar niet wonen. Vanaf dat moment ging ik op zoek naar Oum Kalsoum om haar te leren kennen. Het begon met het nummer "Anta Oumri" (Jij bent mijn hoop), daarna volgde "Inta el-Hob" (Jij bent mijn liefde). Ik werd verliefd op de stad waar ik mocht komen luisteren maar niet wonen. "Amal Hayati" (Hoop van mijn leven) volgde en ik werd nog verliefder op die stad! En in "Fakarouni" (Herinner me) ging ik diep de stad binnen en ontdekte haar schatten. Met "Hazihi Leilatti" (Dat is mijn nacht) schreeuwde ik dat het de mooiste stad was die ik me kon voorstellen terwijl ik in "Wa Marrit al-Ayam" (De tijd vloog) een burger van die stad werd.' George Ibrahim Khouri vroeg Abdelwahab wat hij zou voelen bij zijn volgende werk. De componist antwoordde: `Ik hoop dat ik die stad kan kopen.' Vanaf het allereerste begin, lang voordat mensen als Mohamed Abdelwahab hun diensten aanbieden, is alleen het beste goed genoeg. Ook de pers begint aandacht aan de delta-dochter te besteden. Al voordat ze met instrumentale begeleiding zingt, wordt er over haar geschreven. Het gemis van een orkest wordt door de journalist betreurd, maar: `Haar ogen zijn mooi en haar gedrag doet denken aan de eerste Arabieren in de woestijn,' Dank zij het hoge niveau van Oums muziek worden al snel volledige pagina's in dagbladen en tijdschriften in de Arabische wereld aan haar gewijd. Ze draagt niet langer de traditionele kleding maar moderne toiletten van toonaangevende couturiers. Ze gaat met de tijd mee en wordt van een plattelandsvrouw de toonaangevende en chicste vrouw van Egypte, die geen blad voor de mond neemt: `Westerse vrouwen lopen in huis rond in een oude jurk, maar wanneer ze boodschappen gaan doen of de stad in moeten, zien ze er goed verzorgd uit. Dat is fout. Je moet er voor je eigen man zo goed mogelijk uitzien. Andere mannen hoeven niet naar je te kijken.' Tegen de tijd dat ze de compositie In `Kount Assameh' met tekst van Ahmed Rami opneemt, heeft Victor in iets meer dan een jaar meer dan een half miljoen platen van haar verkocht, een ongekend aantal voor een zangeres uit een derde-wereldland. In 1926 reikt haar faam ook buiten de grenzen van de Arabische wereld. In dat jaar schrijft een Frans tijdschrift, l'Illustration, over het Egyptische fenomeen onder de titel `Oum Kalsoum, de grootste Arabische zangeres van deze eeuw'. Het blad vermeldt dat het na de dood van de grote Arabische zangers als Sheikh Salama Hijjazi, Mohamed Abdu en Abdelhay treurig gesteld was met de Arabische zang. Het publiek toonde sinds hun verscheiden nauwelijks interesse voor het klassieke lied, tot de komst van Oum Kalsoum een grote verandering veroorzaakte. Ze weet muzikanten, tekstdichters en componisten te inspireren, aldus l'Illustration. Het artikel levert haar nog datzelfde jaar een eerste uitnodiging op om in Parijs te komen zingen. Het zal precies veertig jaar duren voor Oum daar inderdaad zal optreden: haar eerste en enige concert buiten de islamitische wereld, in een uitverkocht Olympia. L'Illustration schreef in 1926 al de profetische woorden dat ze ook in de Franse hoofdstad een groot succes zou zijn, zelfs al zou men geen woord van haar teksten begrijpen. De pers weet altijd wel wat over haar te melden. Haar haardracht wordt geïmiteerd door ontelbare vrouwen. Haar jurken worden massaal nagemaakt en als de zangeres zich jaren later voor het eerst tijdens een concert met een zonnebril vertoont, wordt het binnenshuis dragen van zo'n bril een ware rage in het land van de Nijl. Bij Oum was het echter geen gimmick. Haar ogen verdroegen de felle theaterspots niet, hetgeen zich uitte in traanvorming tijdens haar optredens. Dat was ook de reden dat ze tijdens haar voorstellingen altijd een sjaal in haar hand hield, waarmee af en toe onopvallend een traantje werd weggepinkt. Ook in 1926 meldt een ander Frans tijdschrift, Minerva, dat de grote Franse platenbonzen haar stem hebben geanalyseerd en op zoek zijn naar een Franaise die wat timbre betreft de intensiteit van Oum benadert. Tien jaar later vindt men zoiets in Frankrijk en begint daar de carrière van Edith Giovanna Gassion, beter bekend als Edith Piaf. Oums eerste optreden buiten Egypte heeft in Libanon plaats. In de jaren dertig treedt zij op in een zaak aan het el-Borgplein in Beiroet. Het theater heet Kawqeb Sharq (Ster van de Oriënt). Op de affiches staat de naam van de zaak boven Oums naam afgebeeld. Door een fout (of was het sluikreclame?) wordt zowel de naam van het theater als de naam van de zangeres ook afgedrukt op de hoes van de Libanese platenmaatschappij van de familie Baida, die tijdens haar verblijf in de Libanese hoofdstad verschillende concerten registreert. Vanaf dat moment plaatst haar manager Ahmed el-Jaq Pasja de titel `Ster van de Oriënt' consequent boven Oum Kalsoums naam. Alle platen, cd's en cassettes van de zangeres vermelden tot op de huidige dag de naam van dit theater aan het el-Borgplein, al is de zaak zelf al bijna een halve eeuw verdwenen. Tekenend voor Oum Kalsoums maatschappelijke positie in de Arabische wereld is de enorme belangstelling die haar vanaf het begin van haar carrière ten deel valt. Echte concurrentie heeft ze nauwelijks gekend, behalve van de zangeres Asmahan, zuster van de minstens zo bekende zanger Farid el-Attrache, die Oum naar de kroon zou steken. Er ontstaan zelfs partijen v¢¢r en tegen de zangeres. In tegenstelling tot de eenvoudige dorpsdochter uit de Nijldelta was Asmahan een dochter van de vertegenwoordiger van het Osmaanse regime in Suweida, hoofdstad van het bergdistrict Djebel ed-Druz in het tegenwoordige Syrië. Daar werden Asmahan en Farid geboren, maar ze brengen hun eerste jaren door in Istanbul. Wanneer in 1924 het doek definitief is gevallen voor de nazaten van het Osmaanse geslacht, strijkt de familie el-Attrache in Cairo neer. Als Farid in 1930 met zijn eigen compositie `Ya Retni Teir' debuteert, is hij in één klap een begrip in de hele Arabische wereld. Wat Jimi Hendrix op gitaar doet, doet Farid op zijn luit. Als Farid bovendien vlotte melodietjes uit zijn mouw schudt en deze door Asmahan laat vertolken, heeft Oum er een concurrente bij. Ze laat zich hierdoor niet opjutten en blijft trouw aan haar serieuze repertoire, hoewel de flirt- en fladderliefdesliedjes op dat moment de grote mode zijn in het mondaine Cairo. De dramatiek krijgt legendarische vormen als Asmahan in de tweede wereldoorlog om het leven komt bij een aanrijding. Tot op de huidige dag circuleren er geruchten dat ze door Oum persoonlijk uit de weg zou zijn geruimd. Niks geen onromantisch verkeersongeval in een sportwagen, maar een verhaal met een sterke echo uit Duizend-en-één-nacht, waarbij de jaloerse Kalsoum heel geniepig middels een kopje thee met snelwerkend dodelijk gif de nietsvermoedende Asmahan de dood bezorde. Hieruit zou ook de eeuwige vermeende ruzie tussen Farid el-Attrache en Oum Kalsoum zijn voortgekomen. Misschien klinkt de naam Kamal el-Mallakh de lezer bekend in de oren. Hij ontdekte de befaamde Zonneboot die nu in het speciaal hiervoor gebouwde museum nabij de Grote Piramide staat. Naast zijn werkzaamheden als egyptoloog deed hij jarenlang de society-pagina in het gezaghebbende semi-officiële dagblad Al Ahram. In zijn werkkamer aan de Mazloumstraat herinnert hij zich dat de geruchtenmachine onmiddellijk na Asmahans dood overuren maakte en tot op de dag van vandaag ook buiten Egypte werzaam is. Als variatie op het verhaal van het gif in een kopje thee doet ook een versie met een door Oum Kalsoum in Asmahans geworpen cabriolet geworpen bos bloemen met dodelijke doornen de ronde. De fans van Kalsoum kwamen al snel met tegengifverhalen over de `werkelijke' toedracht van de zo onverwachte dood tijdens een verkeersongeval. El-Mallakh: `Aanhangers van Oum Kalsoum beweerde dat Asmahan werd vermoord omdat ze zou hebben gespioneerd voor de Duitsers. Ze zou regelmatig berichten hebben overgebracht naar generaal Erwin Rommel. Als een van de grootste artiesten in de Arabische wereld reisde zij ongehinderd. De gewone mensen en de Egyptische gezagdragers applaudisseerden wanneer zij ergens verscheen. Bovendien kwamen haar platen uit op het label Baidaphone. De Libanees-christelijke eigenaar was getrouwd met een Duitse, Hilda genaamd. Zij zou Asmahan hebben aangezet tot spioneren.' De Britten, als kolonisator, zouden geen directe actie tegen de immens populaire artieste durven ondernemen. Dus knoeide Oum met de remmen van Ashamans auto, in de beste traditie van Harer Majesteits geheime dienst. Asmahan ging in de verhalen steeds beter zingen. Ware zij nog in leven, zou Oum Kalsoum in haar een meerdere hebben moeten erkennen. Tussen Farid el-Attrache en Oum zou er volgens het publiek een vendetta heersen. Kamal el-Mallakh moet erom lachen. `Oum Kalsoum en Asmahan hebben zelfs ooit gezamenlijk op één plaat gestaan. Aan de ene zijde zong Oum de leidende partij in het nummer "Adfihi In Hafeza", aan de andere zijde zingt Asmahan "Aïna el-Layali". Maar de manieren van leven van beide kunstenaressen lagen gewoon mijlenver uiteen.' Farid had in Beiroet zijn eigen nachtclub waar Golfmiljonairs uitgebreid konden dineren, terwijl de buikdanseressen op de tafels spetterden. Hoofdattractie was dan wel een optreden en vervolgens een gokpartij met de zanger/componist/acteur zelf. Hoewel het geld met scheppen binnenkwam en el-Attrache soms om de maand een nieuwe film maakte, verkeerde hij vrijwel chronisch in geldnood. Mallakh: `Hij verloor gigantische bedragen aan de goktafels. Een eigen casino redde hem van een faillissement. Oum nam van het geld dat zij aan platenverkoop en optredens verdiende, helemaal niets aan. Haar man, een bekend huidarts, verdiende voldoende om hun een prima leven te bezorgen. Haar inkomsten besteedde ze aan liefdadige instellingen, gaf ziekenhuizen de benodigde apparatuur en vertoonde zich niet in goktenten waar el-Attrache kind aan huis was.' Oum is anders dan Asmahan. Ze treedt niet op in weinig verhullende japonnen in tingeltangels van bedenkelijk allooi, maar verschijnt altijd keurig gekleed in respectabele gelegenheden. Ze maakt niet, zoals gebruikelijk is onder Arabische zangeressen, onderdeel uit van showtjes met goochelaars, buikdanseressen en buiksprekers, maar geeft heuse recitals in het Azbakiyya-tuintheater of de Koninklijke Opera aan het el-Atabaplein. Dit mag als een belangrijke doorbraak worden beschouwd voor de erkenning van haar muziek. De Koninklijke Opera was het beroemdste aller Egyptische theaters, ooit haastig in nog geen vijf maanden gebouwd naar het voorbeeld van de Milanese Scala, om te kunnen functioneren bij de opening van het Suezkanaal. Hier had de Egyptische onderkoning Ismaël Pascha, operaliefhebber tot op het bot, de première van de opera Aida gepland, speciaal door Verdi geschreven. De Italiaanse meestercomponist had de uitnodiging daartoe echter in een brief aan Pascha van 9 augustus 1869 resoluut van de hand gewezen: `Het is niet mijn gewoonte gelegenheidsstukken te schrijven.' Daarom werd het theater op 1 november 1869 in aanwezigheid van de keizer van Oostenrijk, de Duitse Kaiser Wilhelm i, prins Willem der Nederlanden, een Russische grootvorst, de Britse Hoge Vertegenwoordiger en onderkoning Ismaël maar ingewijd met Verdi's Rigoletto, onder leiding van de Emanuele Muzio, de enige leerling van de maestro. De Opera had met tule afgeschermde loges voor dames. Het was, tot het zo'n dertig jaar geleden voor de tweede maal afbrandde het meest prestigieuze theater in de Arabische wereld. De eerste keer brandde het af kort na de opening, waarna het herbouwd werd en op 24 december 1871 heropende met... Aida. Het enorme bedrag van honderdvijftigduizend Franse francs en de dreiging van de Pascha om Wagner of Gounod te vragen de opera te schrijven hadden Verdi alsnog doen zwichten. Het verheven karakter van de Koninklijke Opera ten spijt, prefereerde Oum de onder het gewone volk razend populaire Kasr el-Nil- of Ballonbioscoop. Inmiddels is dit gebouw herdoopt in het Oum Kalsoum-theater. Het staat aan de heksenketel van de altijd razende verkeerschaos hoek 26-julistraat en Nijlstraat. Het was een van de twee vaste theaters waar ze gedurende bijna een halve eeuw zong.
© 1991-2006 |