Free Web Site - Free Web Space and Site Hosting - Web Hosting - Internet Store and Ecommerce Solution Provider - High Speed Internet
Search the Web

Ga naar alle Geiligen!

Beginletter F - Overige Nederlandse heiligen

Sint Falco. Volgens de overlevering de 8ste opvolger van de heilige Servatius als bisschop van Maastricht. Zijn relieken bevinden zich in de Maastrichtse Sint Servaaskerk. Op de zaterdag voor de derde zondag na pinksteren vierde men het feest van de heilige bisschoppen van Maastricht na Servaas: Agricolaus, Ursicinus, Designatus, Renatus, Supplicius, Ouirillus, Eucherius, Falco en Eucharius. Bovendien worden op deze massaviering ook de relieken van de heiligen Domitianus, Monulfus, Gondulfus, Perpetuus, Ebregisus, Johannes met het Lam, Remaclus, Theodardus en Lambertus. Officieel vierde men dan ook Hubertus. Hoewel zijn naam bij de viering in Maastricht zelf vroeger wat zachter werd uitgesproken als die van de overige ´Maastrichtse´ heiligen. Hubertus was namelijk de laatste bisschop van Maastricht en verplaatste de zetel naar Luik. Gelukkig kon men zich in Maastricht volledig uitleven op hun Sint Servaas, die als hoofdheilige een eigen feest had, hoewel hij ook op deze zaterdag voor de derde zondag na pinksteren mocht meedelen in de feestvreuge rond de heilige overblijfselen.
Litt. C.Dereine, Les chanoines ruguliers au diocèse de Liège avant Saint-Norbert (1952); Donald Attwater, Dictionary of Saints (1983); Missale Romanum, volledige latijns-nederlandse uitgave 1430.

Sint Ferdinand Hamer (Nijmegen 21 augustus 1840 - T'uo T'sjeng (Zuid Mongolië) China 25 juli 1900)
Kwam als missiebisschop om bij de Chinese boksersopstand van 1900. Op 1 oktober 2000 verklaarde paus Johannes Paulus II 120 Chinese martelaren heilig, onder wie 87 Chinese katholieken en 33 buitenlandse missionarissen, maar niet Ferdinand Hamer. Wel zuster Kaatje Dierkx.
Hamer werd op 21 augustus 1840 in de Nijmegense Molenstraat geboren en bezocht van 1853-60 het door Jesuieten geleide bisschoppelijke kleinseminarium Kuilenburg en het Priesterseminar in Rijsenburg en ontving op 16 augustus 1864 in Utrecht de priesterwijding. Van zijn vijf broers was er een Franciskaan en een Jesuiet. Hamer sloot zich aan bij het in 1861 opgerichtte missiegezelschap van Scheutveld, de "Congregatie van het Onbevlekte Hart van Maria", en was een van de pioniers die in augustus 1865 na een bezoek aan Rome via Marseille naar Mogolië vertrok in de eerste groep van vier priesters, de stichter Pater Verbiest en een lekenhulp.
Na op 6 december in Si-wan-tze in China aangekomen te zijn, verbleven ze om enigzins met de gebruiken en de taal op de hoogte te raken. Hamers arbeidsveld werd het gebied van Ghe-sjwi in het noordoosten. Daar was hij helemaal alleen, 18 dagreizen van Si-wan-tze, met 21 dorpen, waaronder de gemeente Ku-li-teu. Oost Mongolië was het centrum van de Mongoolse missie nabij de Chinese grens. Het was een deel van Binnen Mongolië, de eerste zelf bestuurde streek in China grenzende tegen de U.S.S.R. in het noorden en China in het zuiden. Van 1868-71 werkte hij als voorlopig Provicaris van de missie in Si-wan-tze. Op 13 juli 1878 werd Hamer tot Apostolisch Vicaris van Kansu en Ili benoemd en op 28 oktober van dat jaar tot de eerste bischop van het Apostolische Vicariaat van Kansu gewijd. Bischop Hamer, nog niet vloeiend in de Chinese taal, was zeer geliefd door de Chinese Christelijken voor zijn goedheid, zijn erbarming voor al het lijden in China, en zijn krachtig gebed. In januari 1879 trok hij met zijn begeleiders naar Lautsjeu, de hoofdstad van de provincie Kansu, Als bisschoppelijke recidentie koos Hamer Leang-tsjeu. Op 22 mei 1882 schreef hij: "het missionarisleven bevalt me nog net zo goed als op de eerste dag. Ik geloof fat, zou ik het slecht alleen voor korte tijd moeten opgeven, dat voor mij een groter offer is als destijds, toen ik Europa en alles wat ik lief had, verliet. Ik hou van de Chinezen als mijn eigen kinderen, en ik heb nu brave, oppassende medewerkers, die allen ijverig werken en als echte broeders hartelijk en gezamelijk samenleven." Op 29 juli 1889 werd Hamer in Zuidwest Mongolië beroepen in zijn nieuwe Vicariaat. Een streek zo groot als de staat Virginia (USA) In verband met zijn slechte gezondheid besloot hij voor aansterking naar Holland en Rome te reizen, om vervolgens volledig aangesterkt in het voorjaar van 1891 terug te keren naar San-tao-ho, de hoofdstad van zijn nieuwe missiegebied, het uit zeven Mongoolse vorstendommen bestaande Ortos-land. Een groot deel van zijn jaren bracht hij door met vermoeiende visitatiereizen. De plaatsen die hij moest bezoeken lagen vaak 8 tot 10 dagreizen uit elkaar en dagreizen van 12 tot 16 uur waren niet ongewoon. Onder zijn tienjarig Apostolaat verdubbelde het aantal christenen, het aantal missieposten steeg van 7 tot 30 en het aantal missieschooltjes van 18 tot 52. In 1900 werd de bisschoppelijke residentie van San-tao-ho naar Oel-sje-te-king-ti verplaatst. Ondertussen was in 1899 in de Boxeropstand uitgebroken, die zich snel over de Chinese noordprovincie verbreide. Ze noemde zichzelf de "Vereenigde Vuisten voor Vrede en Justitie." Europeanen noemden hen de "Boxers." Deze Boxers hadden het op buitenlanders en hun volgelingen gemunt. Begin juli 1900 begreep men dat de Ortomissie niet meer te redden viel. Een bevriende Mongolenheerser schreef Hamer.: "Vlucht naar San-tao-ho. Daar zullen jullie waarschijnlijk in zekerheid zijn, terwijl jullie hier een zekere dood wacht." Hamer stuurde diezelfde nacht de verzamelde missionaren daarheen af te reizen. Zelf bleef hij. De Boxers veroverde de bisschoppelijke residentie en namen Hamer in zijn kerk gevangen. Vier dagen lang werd hij ondervraagd en gefolterd en uiteindelijk ter dood veroordeeld. Op de 24de juli stierf hij op een vreselijke manier. Drie palen waren opgericht zodat het een drievoet werd met een ijzeren haak bovenaan. Bischop Hamer werd uitgekleed, met katoenwol omwonden aan zijn voeten opgehangen en in brand gestoken. Na een vreselijke schreeuw zweeg de martelaar.
Zodra de gewelddadige dood van bisschop Hamer in ons land bekend werd, kwam de verering voor deze missionaris-martelaar op gang, met name in zijn geboorteplaats Nijmegen. In 1902 reeds werd een standbeeld voor hem opgericht aan de Bisschop Hamerstraat, de straat die het Keizer Karelplein verbindt met de Molenstraat, waar Fred Hamer in 1840 was geboren en in de Molenstraatskerk gedoopt.
In de jaren twintig bouwden de Scheutisten - de congregatie waarvan Hamer lid was geweest - aan de Verlengde Groenestraat voor hun studenten aan de Nijmeegse universiteit het Bisschop Hamerhuis, een studiehuis met een markant Chinees torentje.
Deze bewijzen van Hamerverering dienden er mede toe om het proces van zijn zalig- en heiligverklaring, waarvoor in de eerste helft van de twintigste eeuw nadrukkelijk is geijverd, te ondersteunen. Waarom is hij dan toch niet heilig verklaard, samen met Kaatje Dierkx? Daarvoor zijn diverse redenen aan te voeren. Als missiebisschop heeft Hamer op bepaalde terreinen een eigenzinnig beleid gevoerd en niet steeds naar de Romeinse pijpen gedanst. Om de gevoelige onderlinge relatie tussen de katholieke groeperingen in China zelf niet nog meer te belasten, werd het door zijn huidige Nederlandse medebroeders niet opportuun geacht bisschop Hamer tot inzet van verdere strijd te maken, te meer niet omdat hij 'toch wel heilig' is.
De heiligverklaring op de 51ste verjaardag van de Volksrepubliek China, heeft tot heftige protesten van Beijing geleid, want volgens de Chinese machthebbers gaat het hier niet om martelaren, maar om 'verraders, verkrachters en plunderaars' die tijdens de Bokseropstand van 1900 hun terechte straf hebben gekregen als instrumenten van het westers kolonialisme en imperialisme. Omdat hij niet tot de eer der altaren werd verheven, is bisschop Ferdinand Hamer, die ook bij deze Bokseropstand is omgekomen, aan die heftige Chinese reactie ontsnapt.
Tientallen jaren heeft Hamer als hét voorbeeld van het 'groote missie-uur' in Nederland gegolden. Als zodanig heeft hij zowel in China als in Nederland een historische missie vervuld; zijn leven voor de Chinese missie heeft een langdurig naleven voor de Nederlandse missie betekend. Het ontbreken van een wetenschappelijk verantwoorde biografie over zijn werk en betekenis, gebaseerd op de bronnen die zijn overgeleverd zowel uit China als uit Nederland, kan veel aan het licht brengen over een bewogen periode uit de missiegeschiedenis. Drs. Harry Knipschild heeft zich voorgenomen deze leemte op te vullen. Hij heeft daartoe al de eerste stappen gezet door de verkenning van het rijke bronnenmateriaal in de archieven van de Scheutisten en van de Propaganda Fide in Rome. Met een biografie van Hamer zal zeker een stuk religieuze cultuurgeschiedenis van China en Nederland worden onthuld.
Litt. Johannes Paulis II, Toespraken bij zijn bezoek aan Nederland (1985) p45; Anton Hounder, Bannerträger des Kreuzes I, 1913.

Sint Floriaan (252-304) Feestdag 4 mei
Leefde in de tijd van Diocletianus, de keizer van het Romeinse Rijk die zo graag christenen liet martelen. Vanwegen zijn patronaatschap
Floriaan trad op jonge in dienst van het Romeinse leger. Gestationeerd in huidig Oostenrijk werd hij de plaatselijk gezaghebben van Noricum.
Floriaan was bekend omdat hij ooit de stad van brand had gered met één enkele, goedgerichte emmer water.
De legeraanvoerder heeft zich in het diepste geheim laten dopen! Dat hield hij de eerste tijd voor zich. Maar als hij de verhalen hoort over hoe keizer Diocletianus zijn geloofsgenoten rechtstreeks de hemel in helpt door ze de christelijke marteldood te laten sterven, staat zijn besluit vast: Dat wil hij ook!
Als hij hoort dat Meesterbeul Aquilinus, de grote specialist op het gebied van christenmartelen, naar Oostenrijk komt om de tortuur uit te voeren, snelt Floriaan naar Aquilinus om te melden dat hij christen is.
Aquilinus wil Floriaan eerst helemaal niet geloven. Maar Floriaan weet wat hij wil en hoe hij het kan krijgen. Hij neemt geen genoegen met dreigementen! Hij daagt Aquilinus uit door de keizer te beschimpen en de mededeling dat een joodse rabbijn de nieuwe God zou zijn geworden.
Dat pikt Aquilinus niet en eist van Floriaan dat hij zijn majesteitsschennis ten opzichte van de Romeinse Keizer intrekt. Floriaan blijft echter onverstoorbaar in zijn weigering en gaat nog verder in zijn beledigingen van de Keizer ten overstaan van het wettig gezag.
Dan geeft Aquilinus twee van zijn sterkste soldaten de opdracht Floriaan eens flink af te straffen. De toekomstige heilige moet zelf de twee takken afsnijden waarmee waarmee hij zal worden afgeranselt.
Als hij na afsloop van dit ongenadig pak slaag opnieuw voor Aquilinus wordt gevoerd, weigert Floriaan opnieuw zijn beledigingen van de Keizer in te trekken.
Opnieuw laat Aquilinus hem met stokslagen aftuigen.
In het Katholiek Nieuwsblad schreef Hagiologe Yvonne Koopman-Snep:
''Het geluk wat steeds meer van Florians gezicht afstraalt, maakt Aquilinus zo woest dat hij de soldaten gebiedt Florians schouderbladen te breken. Met een rotsvast vertrouwen op Gods kracht weerstaat hij de martelpogingen. Als door een onzichtbare kracht tegengehouden, lukt het de soldaten ook maar niet hun opdracht uit te voeren.''
Floriaans schouderbladen lijken wel van staal. Aquilinus kan maar een conclussie trekken: dit is hekserij.
Floriaan reaggeert enthousiast als hij hoort dat ze hem tot de brandstapel willen veroordelen: "Wanneer jullie me op de brandstapel zetten, zal ik langs de vlammen naar de hemel klimmen".
Aquilinus veroordeeld hem, om hem te pesten tot verdrinking. Morrend wordt de heilige met een molensteen om zijn nek op zondag 4 Mei 304 AD op de rand van een brug gezet.
Yvonne Koopman-Snep: ''De ene brutale soldaat die de vrome man naar beneden durft te gooien, wordt onmiddellijk met blindheid getroffen.''
Het zou het einde van het verhaal zijn geweest, ware het niet dat een vrome weduwe een visioen kreeg waarin Floriaan aan haar verschijnt om te vertellen waar ze zijn verdronken lichaam kan vinden.
De vrome weduwe weet een goudmijnte te maken van het lichaam. Yvonne Koopman-Snep: ''En zij die op een gegeven moment de kapel van St.-Florian beroven, worden door akelige ziekten getroffen of vallen dood neer.''
Helaas is mevrouw Snep van het Katholiek Nieuwsblad niet duidelijk waarom Floriaan nu precies beschermheilige van de brandweermannen is geworden. Volgens haar ''vooral het feit dat hij aan de brandstapel is ontkomen, maakt hem tot beschermheilige van brandweerlieden en schoorsteenvegers.''
Het lijkt me aannemelijker dat Sint Floriaan het patroonschap van de vuurvechters kreeg omdat hij zijn stad van afbranden heeft gered door op het juiste moment één emmer water op de juiste plek te gooien.
Uiteraard is zijn sterfdag, de 4de mei 304, zijn kerkelijke feestdag.
Omdat de hemel de martelaren van het geloof met trompetgeschal en tamboerijngerinkel binnenvoert.
Zijn graf in de omgeving van Lorch werd door de vrome weduwe tot haar dood met succes uitgebraden. Het belandde uiteindelijk in handen van de Augustijner monnikken, die er een giga-klooster overheen bouwden. Toen dit klooster in 1138 in opspraak kwam, liet paus Lucius III het gebeente van Floriaan naar Rome overbrengen. Daar verdeeld hij de botten. De schouderbladen en schedel blijven in het Vatikaan. Een paar ribben zijn het grote cadeaux aan koning Casimir van Polen (die Floriaan gelijk uitroept tot heilige van zijn land). Ook de bisschop van Krakau krijgt een paar botten, waaronder een bovendijbeen en een sleutelbeen. Onder pauselijke begeleiding wordt Floriaan uitgeroepen tot officieel schutspatroon van Polen en Boven Oostenrijk.
Citaat Yvonne Koopman-Snep uit het Katholiek Nieuwsblad van 4 mei 2001

Sint Floribertus () Feestdag
/p1427 Missale Romanum Ned. editie (1955);/*29 Appendix Misboek Dominikanen.

Sint Floris III Graaf van Holland (Den Haag ca 1141 - Antakya 1 augustus 1190).
Floris III volgde in 1157 zijn vader Dirk VI op. Een jaar eerder, in 1156, waren Floris III en zijn vader Dirk VI door de abt van Egmond in de ban gedaan naar aanleiding van de zaak met de kerk van Vlaardingen. Floris gaf de kerk van Vlaardingen op 28 augustus 1162 terug aan de opvolger van de Egmondse abt, tijdens een plechtigheid in de abdij van Egmond. Bij deze zelfde plechtigheid werd de ban over Floris III opgeheven en ook zijn huwelijk met Ada van Schotland voltrokken. Ada van Schotland was de zuster van de Schotse koning Malcom IV. Uit dit huwelijk werden tien kinderen geboren, vijf zonen en vijf dochters: Dirk die als de oudste zoon zijn vader later als Dirk VII zou opvolgen, Hendrik, Floris die domproost werd, Willem die zijn oudere broer na diens overlijden opvolgde, Boudewijn, Ada, die later huwde met Otto van Brandenburg, Sophia, Margaretha die later huwde met Dirk van Cleef, Elisabeth, die jong stierf, Agnes, die abdis werd. Floris III was de eerste die als graaf van Holland een eigen munt sloeg.
Een jaar voor zijn huwelijk had Floris vrede gesloten met de Westfriezen uit Drechterland, maar in 1165 laaide deze oude strijd weer op.
Herhaaldelijk trokken de Westfriezen ter strooptocht het Kennemerland binnen, hetgeen Floris dan weer noodzaakte tot een strafexpeditie. Bij een van deze veldtochten, in de winter van 1168, liep een deel van het leger van de graaf bij Schagen in een hinderlaag. In 1184 gelukte het Floris III de Westfriezen van Wieringen en Texel te onderwerpen.
Floris III was een trouwe bondgenoot van de Keizer Frederik Barbarossa.
In 1158 en van 1176 tot 1178 stond hij de Keizer persoonlijk terzijde bij diens strijd in Italië. Als dank verwierf hij van deze de titel van rijksvorst en kreeg hij in 1179, de tol van Geervliet. Ook was de verkiezing van zijn broer Boudewijn in 1178 tot bisschop van Utrecht aan de invloed van de keizer te danken.
Floris III raakte in 1166 over Zeeland-bewesten-Schelde in oorlog met de Vlaamse graaf Pilips van de Elzas. Daarbij werd hij echter gevangen genomen waardoor hij in 1167 het voor hem nadelige Verdrag van Brugge moest sluiten.
De invloed van Floris III in het Utrechtse bisdom was niet naar de zin van de graaf van Gelre. Om de macht van deze graaf te beteugelen sloot graaf Floris een bondgenootschap met de graaf van Cleef. Dit bondgenootschap werd nog eens bekrachtigd door het huwelijk van twee kinderen van Floris, Margaretha (in 1182) en Dirk (in 1186), die beiden met kinderen van de graaf van Cleef huwden.
Graaf Floris III maakte in 1184 een eerste pelgrimage naar Palestina.
In 1187 was Jeruzalem weer in handen van de moslims. Na een oproep van de paus werd in 1188 een derde kruistocht gehouden en in april 1189 vertrekken de graven van Holland, Gelre en Cleef gezamenlijk op kruistocht. Keizer Frederik Barbarossa overleefde deze kruistocht niet en graaf Floris III stierf van uitputting niet lang na hem, op 1 augustus 1190, in de armen van zijn zoon Willem I. Dat gebeurde in Antakya (Antiochië), de tegenwoordige hoofdstad van de Turkse provincie Hatay. Floris III werd daar voor het altaar van de Petruskerk begraven. Floris III genoot de als martelaar gestorven heiligverering: tenslotte was door de paus verzekerd dat ieder die tijdens de kruistocht stierf, rechtstreeks de hemel in zou gaan en dus heilig zou zijn in de ware betekenis van het woord.

Sint Franciscus de Roye (van Rooy) (geb. 1549-vermoord op 9 juli 1572). Feestdag 9 juli. Zie de de 19 martelaren van Gorkum.

Sint Fredegand, ook Fregaut van Dorne (gest. 720), feestdag op 17 juli. Fredegand studeerde in Ierland en was waarschijnlijk een van de missionarissen die met Willibrord samen naar de Nederlanden kwam. Hij leide een Benediktijns klooster (Kerkedor) bij Antwerpen. Samen met Fredegand wordt de H. Turninus genoemd, een andere Ierse priester die in hetzelfde tijdperk naar Holland kwam. Beiden hebben hun feestdag op 17 juli. Ook de Ierse monnik sint Foillan kwam samen met Turninus naar Holland.

Sint Frederik van Hallum (Gestorven op 3 maart 1175) Feestdag bisdom Groningen 3 maart. Frederik was een pastoor in het Friese Hallum, toen hij zich besloot als monnik bij de Orde van Norbertijnen in te trekken. Hij heeft de Abdij van Mariengaarde opgesticht in 1164 en werd de eerste Abt en overlijd daar op 3 maart 1175. Zijn relikwieën worden zorgvuldig bewaard in de Abdij van Leffe bij Dinant, waar de Friese heilige sinds 1725 liturgisch wordt aanbeden Feestdag /p209 I heilige jaar rond; p1407/1457 Missale Romanum Ned. editie (1955);/(r.k.

Sint Frederik van Utrecht () Feestdag 18 juli, aartsbisdom Utrecht 8 november. Deze heilige bischop van Utrecht werkte hij met grote ijver aan de bekering van Friesland. Omdat hij aan de zijde van Lodewijk de vrome en zijn zoons had gekozen, werd hij op last van Keizerin Judith na het misoffer aan de voet van het altaar gedood.
/p62 II heilige jaar rond/1457 Missale Romanum Ned. editie (1955)

Zalige Fredericus () Feestdag Abt/*12 Appendix Misboek Dominikanen.

Sint Fridericus () Feestdag Bisschop en martelaar/*56Appendix Misboek Dominikanen.

INDEX

Ontbreekt er informatie? Is er een situatie veranderd?
Laat dat dan in ons Hollandse Heiligen mededelingenboard weten.

Deze on-line encyclopedie van Nederlandse Heiligen, Genadeoorden en bedevaartsplaatsen is geschreven door Mohamed el-Fers.
Van dezelfde auteur verschenen o.a.:
Jacques Brel ISBN 90-5330-245-X, in België ISBN 90-5312-113-7;
Istanbul ISBN 90-5330 240 9, in België ISBN 90-5466 790 7;
Columbus ISBN 90-5330-032-5;
Bob Marley ISBN 90-5330-015-5;
Oum Kalsoum ISBN 90-5330-036-8;
Mehmed VI Vahdeddin, de laatste sultan ISBN 90-5330-023-6;
Ramadan, meer dan vasten (Mohamed el-Fers en drs Veyis Güngör) ISBN 90-736-1613-1.
Hoe gevaarlijk zijn de Turken? (Mohamed el-Fers en drs Chris Nibbering) ISBN 90-9011-752-0;
Encyclopedie van Hollandse Heiligen en Genadeoorden RKBN 2002-0004915

Theater: ´Amsterdams Mirakelspel´ en ´De Zaak Schnitke´ (premiére voorafgaande aan de Alfred Schnitke opera ´Life with an idiot´ in aanwezigheid van de componist en H.M. koningin Beatrix en Z.K.H. prins Claus der Nederlanden).

All sites © Mohamed el-Fers

Junior MariaBode

HOME