|
Canterbury zie Kantelberg.
Sint Cecilia () Feestdag 27 november (bisdom Roermond).
Niet te verwarren met de Romeinse heilige met dezelfde naam,
die behoorde tot een adellijke Romeinse familie en in de
derde eeuw stierf en tot 821 ruste in de zgn. Crypte van
Sint Cecilia. In dat jaar werd haar lichaam overgebracht
naar de basiliek die in Trastevere aan haar is toegewijd.
De Nederlandse Cecilia leefde waarschijnlijk in de 10de
eeuw. Van onze heilige worden de relieken in het klooster
te Susteren, samen met die van de heilige zusters Amelberga,
Benedicta en Relindis vereerd.
1488 Missale Romanum Ned. editie (1955).
Chaam, bedevaartplaats voor verering van Antonius
Abt, een pestheilige.
Sint Corbican (8ste eeuw), Feestdag 26 juni. Ier
die kluizenaar in de Lage Landen werd. Hij onderichte vooral
de boeren over het christendom.
Sint Cornelius van Wijk (bij Duurstede) (geb. 1548-vermoord
op 9 juli 1572). Feestdag 9 juli. Zie de de 19 martelaren
van Gorkum.
Culemborg (Gelderland) Bedevaartsplaats in Nederland
ca. 1580-1650 volgens kaart 1 in Marc Wingens 'Over de grens'.
Sint Cunera ook Kunera van Rhenen. Feestdag 12 juni.
Volgens de legende ging Cunera samen met de heiluge Ursula
en andere vriendinnen naar Rome. Op de terugweg zou zij
als enige een moordpartij van de Hunnen overleefd hebben.
Toen zij later aan het hof van de Friese koning Radboud
kwam ziu zij door diens echtgenote uit jaloezie zijn gewurgd.
Centrum van de verering van de 'veeheilige' Sint Cunera
was oorspronkelijk het Gelderse Rhenen, waar het gebeente
van de heilige werd bewaard. Toen de calvinisten de bedevaartskerk
overnamen werden de relieken van Cunera in 1602 in veiligheid
gebracht. Een deel kwam in handen van de Jezuieten in het
Duitse Emmerich. Van daar uit verbreidde de verering zich
over het Nederrijngebied. Een ander deel van de heilige
overblijfselen kwam tereccht in Kaathoven onder Berlicum
in Noord Brabant. Daar trokken de relieken tot 1648 vele
pelgrims, met name uit de Republiek. Na de Vrede van Munster
verplaatste de verering zich naar Bedaf onder Uden, waarnaar
de relieken werden overgebrachtt. Bedaf werd vanaf de tweede
helft van de zeventiende eeuw een geliefde bedevaartsplaats
voor mensen die bij Cunera bescherming zochten voor hun
hoornvee.
Damiate, zie Sint Sjenoet
Delft (Zuid Holland) jaarlijkse Maria van Jesse
Ommegang op de zondag na 12 juni. De oorsprong van deze
ommegang ligt in de Middeleeuwen. In 1327 kreeg een Haagse
vrouw, Machteld genaamd, die al enige jaren blind was, op
een nacht een visioen. Haar werd gezegd naar Delft te gaan
om te gaan bidden bij het beeld van Maria. Toen zij, nadat
ze gebeden had, de mis bijwoonde, kreeg zij tijdens de consecratie
haar gezichtsvermogen terug. Uit dankbaarheid besloot men
toen jaarlijks een processie, een 'ommegang' te houden ter
ere van Maria van Jesse. Hetgeen uitgroeide tot een belangrijke
kerkelijke optocht in de Nederlanden. De reformatie maakte
een einde aan deze traditie, totdat in 1929 een aantal leden
van de katholieke studentenvereniging Sanctus Virgilius,
in navolging van de wedergeboorte van de Amsterdamse ommegang,
die van Delft in ere herstelde. Jaarlijks op de zondag na
het feest van St. Odulfus (12 juni) komen velen uit Delft
en omstreken om 9.30 uur de deelnemers bijeen in de St.
Hippolytuskapel, Oude Delft 118. Na een korte gebedsbijeenkomst
wordt in stilte langs de historische route naar de Maria
van Jessekerk aan de Burgwal gelopen waar om 10.30 uur een
Eucharistiviering zal zijn. In de de Maria van Jesse Kapel
vervangt een middeleeuws mariabeeld het oorspronkelijke,
verloren gegane mirakelbeeld. In de kapel is een wandkleed
met de boom van Jesse en op de gebrandschilderde ramen is
een afbeelding van het wonder van Machteld te zien, evenals
een afbeelding van de ommegang door middeleeuws Delft. Deze
kapel is dagelijks toegankelijk door een ingang aan de Jozefstraat,
een steeg naast de Maria van Jesse kerk aan de Burgwal te
Delft.
Sint Designatus. Volgens de overlevering is Designatus
de 3de opvolgers van de heilige Servatius als bisschop van
Maastricht. Zijn relieken bevinden zich in de Maastrichtse
Sint Servaaskerk. Op de zaterdag voor de derde zondag na
pinksteren vierde men het feest van de overige heilige bisschoppen
van Maastricht na Servaas: Agricolaus, Ursicinus, Designatus,
Renatus, Supplicius, Ouirillus, Eucherius, Falco en Eucharius.
Bovendien worden op deze massaviering ook de relieken van
de heiligen Domitianus, Monulfus, Gondulfus, Perpetuus,
Ebregisus, Johannes met het Lam, Remaclus, Theodardus en
Lambertus. Officieel vierde men dan ook Hubertus. Hoewel
zijn naam bij de viering in Maastricht zelf vroeger wat
zachter werd uitgesproken als die van de overige ´Maastrichtse´
heiligen. Hubertus was namelijk de laatste bisschop van
Maastricht en verplaatste de zetel naar Luik. Gelukkig kon
men zich in Maastricht volledig uitleven op hun Sint Servaas,
die als hoofdheilige een eigen feest had, hoewel hij ook
op deze zaterdag voor de derde zondag na pinksteren mocht
meedelen in de feestvreuge rond de heilige overblijfselen.
Litt. C.Dereine, Les chanoines ruguliers au
diocèse de Liège avant Saint-Norbert (1952);
Donald Attwater, Dictionary of Saints (1983);
Missale Romanum, volledige latijns-nederlandse
uitgave 1430.
Deursen gemeente Ravenstein (Noord Brabant) Bedevaartsplaats
in het Land van Ravenstijn rond de cultus van de 'veeheilige'
Sint Rochus, wiens cultus als pestheiligen vanaf de tweede
helft van de zeventiende eeuw door de franciscanen werd
verbreid. Zijn definitiefe doorbraak maakte Rochus tijdens
de grote runderpestepidemie die rond 1745 woedde, en er
een Rochuskapel werd gebouwd in Deursen en Boxmeer. In Deursen-Ravenstein
bevind zich het oude klooster Soeterbeeck met waarschijnlijk
de mooiste kloostergangen van Nederland. Het klooster is
nu vergader- en trainingscentrum van de Nijmeegse universiteit.
Zie ook Rochus.
Deventer Als eigenlijke stichter van de stad kan
de Engelse evangelist Lebuïnus worden beschouwd. Hij
stak in het Jaar 768 bij wat nu Wilp heet, de IJssel over
en bouwde op een van de rivierduinen een houten kerkje.
Lebuïnus' missiegebied ten oosten van de IJssel vormde
de grens tussen de koninkrijken van de Saksen en de Franken
en was daardoor in politiek en militair opzicht gevaarlijk
terrein. De door hem gebouwde kerk werd in 772 door de Saksen
verwoest. De opvolger van Lebuïnus, de Fries Ludger,
kwam twee jaar later speciaal naar Deventer om een nieuw
kerkje op het graf van Lebuïnus te bouwen. Een lang
leven was ook deze tempel niet beschoren, want het werd
in 778 tijdens de grote opstand van de Saksen onder Widukind
verwoest. Nadat de stad die rond zijn graf verrees onder
zijn patronaat was gesteld, beleefde Hanzestad Deventer
haar bloeiperiode en ontstond de prachtige goed geconserveerde
historische binnenstad. De huidige Lebuïnuskerk, een
laat-gotische hallekerk en grootste monument van Overijssel,
heeft vain haar 11de eeuwse voorganger in het muurwerk onder
andere krocht, de 4 pijlers van het oostelijke en de 2 oostelijke
pijlers van het westelijk schip, het opgaand muurwerk van
het hoge koor en oostelijk dwarsschip bewaard. Het schip
werd in de l3de eeuw radicaal veranderd. Centrum bleef het
graf van de Heilige Lebuïnus. Haar stoere toren huist
het oudst nog bestaande carillon van Hemony. De Lebuïnuskerk
werd door Hollandse iconoclasten van alle kunst gestript
en in 1591 wederrechtelijk in gebruik genomen als Grote
Kerk.
Zie ook Sint Gozewijn van Deventer en Sint Lebuinus.
Dierkx, Kaatje, ook Sint Marie-Adolphine (3 maart
1866-9 juli 1900) Feestdag 9 juli, processie op de zondag
na deze datum in Ossendrecht. Ze is de eerste Nederlandse
vrouw die officieel door Rome als heilig martelares 'tot
de eer der altaren is verheven'.
Catharina (Kaatje) Dierkx werd op 3 maart 1866 in het West-Brabantse
Ossendrecht (gemeente Woensdrecht) geboren. Kaatje verliest
op haar vijfde haar moeder en wordt door familieleden opgevoed.
Ze gaat op school bij de nonnen van Oudenbosch en wordt
op haar twaalfde kindermeisje bij de familie De Beukelaar.
Later doet ze fabriekswerk. In de tussentijd volgt ze op
de zondagmiddagen bij de zusters van Oudenbosch de lessen
voor jonge vrouwen. Kaatje heeft altijd veel contacten met
deze zusters gehad.
Als ze achttien is gaat ze als dienstbode werken in Antwerpen,
waar ze, door bemiddeling van de familie De Beukelaar een
betrekking bij de familie Coveliers. In Antwerpen komt de
diepgelovige Kaatje in contact met de franciscanessen missionarissen
van Maria, een in 1877 door de Franse gravin Hélène de Chappotin
de Neuville gestichtte congegratie. De zusters bidden vijf
uur per dag en zijn actief in de missie. Op 19 maart 1893
treedt Kaatje in bij de franciscanessen van Maria te Antwerpen.
Wanneer de zusters haar vragen waarom ze intreedt, antwoordt
Kaatje: "Het verlangen om voor onzen Lieven Heer te
mogen lijden."
Hoewel ze zelf liever naar de Nederlandse heilige Liduina
zou zijn vernoemd, krijgt ze van Moeder Overste de kloosternaam
Marie-Adolphine, In het Antwerpse klooster werkt ze in de
keuken en heeft de leiding over de wasserij. Begin 1899
krijgt Kaatje te horen dat ze met zeven andere zusters naar
China wordt gestuurd, naar de missiepost met weeshuis van
de bisschop van Tay JuenFu, in de provincie Chansi. Kaatje
wordt mede aangewezen vanwege een van haar praktische vaardigheden:
ze kan namelijk brood bakken. Zij kent maar een zuster van
de groep die naar China zal afreizen, de vrolijke non Marie-Amandine
van Schakkenbroek, die ze kende van het noviciaat, maar
de Vlaamse was naar Marseille gestuurd. Voor ze vertrekt
krijgt ze foto's van de vermoorde pater Victorinus, die
in stukken gesneden is, te zien. De overige nonnen huiveren,
maar Kaatje reageert laconiek. "Als ik in stukjes
gesneden word, ga ik recht naar de hemel. Ik kom dan terug
om hier in de gangen de ronde te doen. Wanneer jullie schrikken,
zal ik zeggen: "Wees maar niet bang, ik ben het maar."
En dan geef ik ieder een stukske. Een stukske van mijn martelaarspalm."
Na een lange en uitputtende reis komen de zusters in China
aan. Een non is te zwak om verder te reizen en blijft in
Shanghai achter. De andere zeven, onder wie Kaatje, gaan
door naar de missie in Chansi in het noorden van China.
Ze komen op 4 mei 1899 aan. Chansi is een arm gebied. En
ondanks eerdere beloften, blijkt de missiepost over geen
enkele voorziening te beschikken waarin de zusters enigszins
normaal zouden kunnen leven, bidden en werken. Er heerst
bovendien een bar klimaat. Mede door deze omstandigheden
kampen de zusters een jaar lang met allerlei ontberingen
en ernstige ziekten.
Kaatje en haar medezusters krijgen de zorg over een weeshuis
dat tot dan toe werd beheerd door Chinese ongehuwde maagden.
Kaatje en Amandine ontpoppen zich als grote steunpilaren
van de kleine communiteit, terwijl de situatie in Chansi
treurig is. Het heeft in het najaar van 1899 niet geregend,
een hongersnood staat voor de deur. Anti-westerse gevoelens
worden versterkt door de kolonisatiepolitiek vanuit het
Westen. Door politieke ontwikkelingen is China de speelbal
van Westerse mogendheden. Het christendom van de kolonisatoren
wordt door veel Chinezen gezien als een godsdienst waarvoor
geen plaats is in China. Deze opvattingen vinden veel weerklank
bij het genootschap van de 'Strijders voor recht en eendracht',
de groepering die wij de Boksers zouden noemen, want Wingtsung
en andere Oosterse vechtsporten waren hier niet bekend.
Wanneer de Chinese keizerin in 1900 een notoire christenhater
tot gouverneur van de provincie Chansi benoemt, wordt de
situatie voor Kaatje en haar medezusters zeer moeilijk.
Half juni 1900 wordt de eerste christen vermoord. Kerkelijke
protesten halen niets uit. Op 26 juni worden huizen van
christenen plat gebrand. Maar ze mogen zich niet verdedigen
van de apostolisch vicaris mgr. Grassi. Met moeite weet
hij, wijzend op het lijden van Christus, de opgejaagde christenen
van gewapend verzet af te houden.
Een dag later beveelt mgr. Grassi de zusters een veilig
heenkomen te zoeken. Ze protesteren. Waar zouden ze dan
naar toe moeten? Dezelfde dag laat de gouverneur weten op
keizerlijk bevel geen christenen te mogen beschermen als
die zich niet tot het Taoisme wensen te bekeren. Het is
het startschot voor een orgie van geweld.
De zeven zusters, twee bisschoppen, twee paters en een broeder
worden op 9 juli 1900 bijeen gebracht voor een rechtszitting.
Getuigen vertelden later dat de zusters zingend onthoofd
werden, nadat zij eerst moesten toezien hoe de mannen werden
gemarteld en onthoofd. De hoofden werden dagenlang tentoongesteld
en trokken duizenden kijklustigen.
Op 24 november 1946 verklaarde Pius XII de groep zalig.
Kaatje werd daarmee de eerste Nederlandse martelares. Ter
gelegenheid van deze erkenning door de Heilige Stoel in
Rome werd in Ossendrecht de Marie-Adolphinestichting opgericht.
Het doel was de verering van de in China onthoofde plaatsgenote
te stimuleren. Deze stichting kocht in 1951 Kaatjes geboortehuis
en verbouwde dit tot gedachteniskapel. Deze werd in 1983
door een nieuwe kapel vervangen. In Kaatjes geboortehuis
heeft twee maal per week een Eucharistieviering plaats.
Op de zondag na haar sterfdag 9 juli trekt een bidtocht
vanaf de geboortehuiskapel via het huis van Kaatjes pleegouders
naar de Berghoeve, waar de voorzitter van de Marie-Adolphinestichting
een zogenaamde bergrede houdt. Dan trekt de processie verder
gaat naar de Eikelhof, vroeger in het bezit van de familie
Coveliers. Bij mooi weer wordt daar een Heilige Mis wordt
opgedragen.
Sint Dimitianus feest wordt op 7 mei in Maastricht
gevierd.
Dirk VI graaf van Holland Wie weet er nog dat de oer-Hollandse
graaf Dirk VI met zijn Sophia in (het tegenwoordig Turkse
Antakya) woonde, waar hun zoon Dirk werd geboren. Dirk VI
kende een zekere status als kruisridder en genoot na zijn
dood ongetwijfeld de daarbij behorende middeleeuwse verering.
Sint Dodo van Haske, ook Dodo van Asch, Dodon, Rudolf
van Haska, Dodo van Bakkeveen, (Gestorven 30 maart 1231)
Feestdag 30 maart.
Dodo genoot grote bekendheid als genezer en voorspeller.
Over Dodo wordt verteld dat hij de stigmata ontving, waardoor
hij deze kruiswonden eerder had dan Sint Franciscus van
Assisi. Als koorheer van Mariengaarde krijgt hij van abt
Siard toestemming als kluizenaar te gaan leven. Dodo verblijft
op verschillende plekken. Nabij het Friese Bakkeveen in
de grietenij van de Zevenwouden bouwt hij, samen met zijn
moeder en vrouw een stevige stenen kluis . Dodo stierf toen
hij werd verpletterd door een omvallende muur van deze kluis.
Al snel ontstaat er een cultus rondom de zo tragisch omgekomen
wonderdoener. Er onstaat een klooster rond zijn graf dat
St. Maria's Roozendaal-te-Haske genoemd. Dit klooster, meestal
enkel Haske genoemd, bloeit en er worden van tijd tot tijd
huizen bijgebouwd, waaruit een compleet dorp ontstaat. Gedurende
de twisten tussen de adellijke geslachten Bonnema en Gerkema
wordt, in het jaar 1424, het hoofdgebouw van de Hasker-Konvent
omvergeworpen. Later is het weer opgebouwd. Het klooster
wordt later op de bisschop van Leeuwarden veroverd door
Rennenberg, doch kwam eindelijk aan de Staten van Friesland
toe, die het deden slopen.
Litt. Attwater2, Benedictines, Encyclopedia; p302 I heilige
jaar rond zie pag. 50 Onze Nederlandse stam en staat.
Dokkum (Friesland) Oorspronkelijk een nederzetting
op de kruising van een land- en waterweg kreeg na 754, het
jaar van de moord op Bonifatius, betekenis als bedevaartsplaats.
Dokkum heeft een Bonifatiuspark met kruiswegstaties en een
Bonifatiuskapel en heilige bron op plek waar verondersteld
wordt dat Bonifatius daar zou zijn vermoord. ZieBonifatius.
Sint Domitianus, ook Domitiaan (gest. 7 mei 560).
Feestdag zaterdag voor de 3de zondag voor pinksteren of
op 11 mei(Russisch orthod. 20 mei, Grieks orthod. 7 mei).
Domitianus was ee'n Franse bischop in Tongeren, waarvan
het bisschopszetel later naar Maastricht werd overgeplaatst.
Hij vocht tegen de ketterij en was aanwezig bij de Synode
van Orleans in 549 en heeft de Maasvallei geëvangeliseerd.
Domatianus zou bij Huy (B) een draak overwonnen hebben die
een bron verpestte en later een nieuwe hebben laten ontspringen.
Domitianus is een van de heiligen wier relieken zich in
de Maastrichtse Sint Servaaskerk bevinden. Zijn feest wordt
samen met de heilige bisschoppen van Maastricht en de verering
van de overige heiligen waarvan Maastricht de relieken in
bezit had: de heiligen Domitianus, Monulfus, Gondulfus,
Perpetuus, Ebregisus, Johannes met het Lam, Remaclus, Theodardus
en Lambertus gevierd. Hij overleed op 7 mei 560 als Bisschop
van Maastricht.
Litt. C.Dereine, Les chanoines ruguliers au diocèse de Liège
avant Saint-Norbert (1952); Donald Attwater, Dictionary
of Saints (1983); Missale Romanum, volledige latijns-nederlandse
uitgave 1430, 1416 Missale Romanum Ned. editie (1955);/zie
pag. 50 Onze Nederlandse stam en staat./*20 Appendix Misboek
Dominikanen.
Heilige Driekoningen (feestdag 6 januari) In de
evangeliën staat niet meer vermeld dan: Zie, wijzen uit
het Oosten kwamen te Jeruzalem om te informeren naar 'de
nieuwe koning' (Mattheus 2). Het werden in de derde eeuw
drie koningen, wier oorspronkelijk Oosterse feest in de
Sint Pieter oorspronkelijk met evenveel luister werd gevierd
als het kerstfeest zelf. In de loop van de negende eeuw
krijgen de 'koningen' namen, landen en leeftijden: Melchior
is uit Tharsis afkomstige grijsaard van zestig, Balthasar
is 40 en uit Arabië terwijl de donkergekleurde Caspar uit
Saba komt en 20 jaar is. Dit past dan mooi met psalm 71.
Jaren na de ontmoeting met het kindje Jezus zouden de Drie
koningen zijn bekeerd door de apostel Thomas en hun dagen
als missiebisschoppen in India hebben gesleten. Hoewel er
geen enkele historische reden is om hun bestaan aan te nemen,
duiken hun gebeentes plotseling op in Milaan, waarvan ze
in 1164 naar de Dom van Keulen verhuizen, waar ze tot op
heden worden bewaard, Het maakte Keulen samen met Kantelberg
een populair bedevaartsoord in de middeleeuwen. Met de heiligen
het jaar rond deel 1 p42.
Dymphna (ca. 650-675) Feestdag 15 mei.
Volgens de legende wilde haar vader haar tot bloedschande
verleiden waarop zij naar België vluchtte en onder de hoede
kwam van een priester Gerebernus genaamd die haar de christelijke
eer onderwees. Maar haar vader achterhaalde haar en vermoorde
haar in de Belgische Kempen nabij het plaatsje Geel. Er
zijn sporen dat ze daar al sinds de zevende eeuw wordt vereerd.
Het zou echter nog 600 jaar duren voor de mondelinge overgeleverde
geschiedenis in de Middeleeuwen op schrift werd gesteld
door bisschop Willem I van Cambrai. Dymphna zou rond het
jaar 650 in Ierland geboren zijn als dochter van een niet-christelijke
koning en een bloedmooie christelijke prinses. Achter de
rug om van haar vader wordt ze in het diepste geheim gedoopt.
Kort daarop sterft haar moeder. De koning kan maar geen
nieuwe vrouw vinden die zelfs maar in de schaduw van zijn
overleden echtgenote kan staan. Dochter Dymphna gaat steeds
meer op haar moeder lijken. Pa maakt bekend dat hij met
haar wil trouwen. Dymphna vlucht, samen met haar biechtvader
Gerebernus. De hofnar en zijn vrouw zouden de twee behulpzaam
zijn geweest bij hun vlucht. Pappa de koning is woedend
als hij ontdekt dat zijn dochter er met de priester vandoor
is. Hij stuurt zijn mannen erop uit haar te zoeken. Per
schip vlucht het duo naar Antwerpen, waar ze snel in de
bossen verdwijnen. Een Sint Maarten-kapelletje midden in
het Kempische woud wordt hun nieuwe woning. De als kluizenaars
levende koningsdochter en haar priester worden een toevluchtsoord
voor rondzwervende hulpbehoevenden. Met name de geesteszieken
worden liefdevol geholpen. De legende verhaalt dat de soldaten
van de koning Dymphna uiteindelijk weten te vinden door
een spoor van Ierse muntstukken te volgen. De koning zoekt
zn dochter in de Kempische bossen op om met haar te
trouwen. Dymphna weigert. Áls ik je niet mag hebben, dan
ook die priester niet´. De koning geeft bevel de twee te
onthoofden. Het hoofd van de priester vliegt van de romp,
maar de soldaten van de koning vertikken het de bloedmooie
prinses te onthoofden. Dus grijpt de koning zelf zijn zwaard.
De twee lichamen zouden in een sarcofaag in een grot achtergelaten
zijn. Volgens het verhaal van de Middeleeuwse bisschop van
Cambrai was het graf al snel vermaard vanwege de vele genezingen
van geesteszieken. Als in de 12de eeuw de sarcofaag wordt
opengemaakt, vindt men een gebakken naamsteen met de naam
´Dymphna´. Hieraan zou de gewoonte ten gronslag leggen om
de massaal aangevoerde groepen krankzinnigen een rode tichelsteen
om de nek te binden. Eeuwenlang trok deze merkwaardige stoet
door Geel. De geesteszieken worden aanvankelijk ondergebracht
in een aanbouw van de kerk met het graf van de heilige Dymphna.
In de dertiende eeuw verrijst er een hospitaal. Later worden
de zieken tegen vergoeding bij families ondergebracht. Een
doorbraak. Overal elders worden geesteszieken slecht behandeld
en tentoongesteld. De inwoners van Geel nemen hen op in
hun midden. Tot na de processie met de rode baksteeen om
de nek.
INDEX
Ontbreekt er informatie?
Is er een situatie veranderd?
Laat dat dan in ons Hollandse
Heiligen mededelingenboard weten.
Deze on-line encyclopedie van Nederlandse Heiligen, Genadeoorden
en bedevaartsplaatsen is geschreven door Mohamed el-Fers.
Van dezelfde auteur verschenen o.a.:
Jacques Brel ISBN 90-5330-245-X, in België ISBN 90-5312-113-7;
Istanbul ISBN 90-5330 240 9, in België ISBN
90-5466 790 7;
Columbus ISBN 90-5330-032-5;
Bob Marley ISBN 90-5330-015-5;
Oum Kalsoum ISBN 90-5330-036-8;
Mehmed VI Vahdeddin, de laatste sultan ISBN 90-5330-023-6;
Ramadan, meer dan vasten (Mohamed el-Fers en drs
Veyis Güngör) ISBN 90-736-1613-1.
Hoe gevaarlijk zijn de Turken? (Mohamed el-Fers en
drs Chris Nibbering) ISBN 90-9011-752-0;
Encyclopedie van Hollandse Heiligen en Genadeoorden
RKBN 2002-00010340
Theater: ´Amsterdams Mirakelspel´ en ´De Zaak
Schnitke´ (premiére voorafgaande aan de Alfred Schnitke
opera ´Life with an idiot´ in aanwezigheid van de componist
en H.M. koningin Beatrix en Z.K.H. prins Claus der Nederlanden).
All sites © Mohamed el-Fers
|