|
Sint Bavo ook Baaf (589-653) Feestdag 1 oktober,
patroon van Haarlem.
Bavo werd omstreeks het jaar 589 in Midden-België geboren
en onder de naam Alwin (Allowin, Alewijn, Adlowin, Adelwin.
Allovin) gedoopt. De uit een aanzienlijke Haspengouws geslacht
stammende knaap werd Bavo genoemd, een troetelnaam, verwant
aan het Engelse 'baby'. Bavo trouwde met de dochter van
graaf Adilio. Uit dit huwelijk werd dochter Aggletrudis
(ook Egeltrudis of Adeltrudis, medestichteres van de abdij
van Munsterbilzen) geboren. Bavo, eenmaal aangesteld als
graaf van Haspengouw, voerde volgens de legende als wapen
een gouden leeuw op een azuren veld. Bavo leefde een losbandig
leven en was een tiran voor zijn onderdanen, of zoals zijn
middeleeuwse biograaf het noemt: 'Hij volhardde in de zonde
en brandde van wellust'. Hij had een voorkeur voor onbehoorlijke
dingen, onrechtvaardigheid en wreedheid en zocht zijn vermaak
in zinnelijkheid en gewaagde erotiserende dansen.
Door de plotselinge dood van zijn vrouw, 'die hij vurig
beminde', kwam hij tot inkeer, mede onder invloed van zijn
poepvrome dochter. Hij besloot niet te hertrouwen en begon
zich toe te leggen op goede werken.
Allereerst schonk hij een deel van zijn goederen weg. In
die tijd predikte Amandus aan de oevers van de Schelde in
een zeer woeste en ruwe streek, bekend als het 'woud zonder
genade'. Allowin bezocht hem en beleed zijn zonde. Amandus
deed hem de ijdelheid van al het aardse inzien en ga hem
hoop voor de toekomst. De boeteling keerde terug naar zijn
landstreek, verzocht koning Dagobert hem te ontheffen van
zijn ambt als graaf en Bavo verdeelde zijn bezit onder de
armen. Bavo werd door de kruinschering en het kloosterkleed
in de geestelijke stand opgenomen om monnik en priester
te worden. Hij vergezelde St. Amandus op enige van diens
missie- tochten. Daarna vroeg hij verlof om andere kloosters
in Vlaanderen en Frankrijk te bezoeken. Toen keerde hij
terug naar de abdij van Gent, waar hij van de abt toestemming
kreeg een streng leven van afzondering en boete te leiden,
naar het voorbeeld van St. Amanclus, die een tiental jaren
als kluizenaar te Bourges verbleven had. Vier maanden (andere
bronnen noemen een periode van 3 jaar) leefde hij als kluizenaar
in de strengste boetedoening; zelfs in zijn slaap deed hij
afstand van elk komfort door zijn hoofd op een steen ter
ruste te leggen. Waarschijnlijk stierf hij in het jaar 653,
zeker vòòr het jaar 659. Bij zijn uitvaart gebeurde al gelijk
een wonder. En al lange tijd door de duivel bezeten vrouw
raakte zijn lijk aan en werd onmiddellijk genezen.
Sommige bronnen vertellen dat Bavo al in 680 heilig zou
zijn verklaard. Zijn relieken werden in 953 van de slotkerk
naar de abdij Ganda, op de samenvoeging van de Leie en de
Schelde (Gent) overgebracht en daar ter verering uitgestald.
De eerste levensbeschrijving van St. Bavo kwam vóór 980
tot stand. Bij gelegenheid van de plechtige verheffing der
relieken in 1010 schreef een monnik van Gent een nieuwe
lofzang op St. Bavo, die inmiddels tot patroon van de St.
Baafsabdij was verheven.
In 680 (volgens andere bronnen in 1010) werd Bavo heilig
verklaard. De Bavo werd na patroonheilige van het bisdom
Gent ook de schutspatroon van Haarlem. Volgens de overlevering
zou St. Bavo aan de Haarlemmers verschenen zijn toen de
stad in 1268 door opstandige Kennemerlanders werd belegerd,
hiertoe aangezet door Gijsbrecht van Amstel, verscheen Bavo
als ridder in krijgsgewaad met opgeheven zwaard in de rechter-
en valk in de linkerhand. Zijn verschijning op de wolken
bracht ontsteltenis onder de belegeraars, die op de vlucht
sloegen. Uit dankbaarheid maakten de bewoners van Haarlem
sint Bavo tot hun schutspatroon en gaven hun hoofdkerk
op de Grote Markt, tot dan toe aan Maria Hemelvaart gewijd,
zijn naam.
De verering van Sint Bavo, de patroonheilige van de stad
Haarlem, kwam in 1472 tot ontwikkeling, toen de abt van
de St. Baafsabdij te Gent en de bisschop van Doornik een
arm van de heilige schonken, in ruil waarvoor Haarlem beloofde
elk jaar op de naamdag van Bavo, 1 oktober, een waskaars
met het gewicht van één pond aan de abdij
te geven.
De kerk liet de reliek in zilver zetten en voor de uitstalling
ervan een apart tabernakel ontwerpen met vleugeldeuren die
beschilderd werden met twaalf voorstellingen uit het leven
van de heilige. Op de naamdag van Bavo op 1 oktober werd
de reliek uit het tabernakel gehaald en, omringd door brandende
kaarsen, in het midden van de kerk gezet en voor de gelovigen
tentoongesteld. Datzelfde gebeurde op de eerste dag van
augustus, de dag waarop in Haarlem de 'translatie' van St.
Bavo werd gevierd. Aansluitend op de uitstalling werd het
beeld in processie rondgedragen over de Grote Markt, toentertijd
nog 't Sant geheten. In de kerkrekening van 1502 wordt deze
processie als volgt omschreven:
'Item, anno XV hondert ende twe wast translacie van Sinte
Baef, die wij alle jaers daerof hoehtyt houden moeten ghelicken
vrouwendaghen ende gaen in processy omt Sant en werpen wy
water in die kerc ende sitten met die reliquie van Sinte
Baef midden in die kerc op een taeffel ende met twee caerssen
elc van een half pont ende een toers barnende den avond
ende den dach tot elf uerren voert heylichdom van Sinte
Baef. Ende den Heeren vant gerecht sal ment doen weten,
die sullen gaen met haer cleden van der stadt in processy
after die kinder ende voer die priesters elc met een brief
van Sinte Baef onse patroen, ende men sal tevoren condighen
op die preecstoel in de kloosterkerken der Jacopinen, vrouwenbroeders,
augustijnen ende te minnebroers ende int gasthuis, opt begginhof
ende op Bakenes mit briefgens'.
In dezelfde kerkrekeningen wordt meermalen gesproken van
geschenken van gelovigen, met daarbij soms de aantekening
dat deze giften om de reliek van Bavo gehangen moeten worden.
Van wonderen rond de reliek wordt evenwel niets gezegd.
Na de plundering van de kerk in 1578 werd de reliek naar
Keulen gebracht. Daarmee kwam een abrupt einde aan deze
kortstondige verering. Het beeld van sint Bavo, hoog aan
de buitenkant van het zuidertrancept van de Haarlemse kerk,
ontkomt de vernieling der beeldenstorm. Volgens de legende
sneed het zwaard van Bavo zelf de touwen door, waarmee drie
beeldenstormers hem van zijn plaats wilden rukken. Hierdoor
stortte de ladder waarop zij stonden neer en vielen deze
protestantse barbaren te pletter op de keien van de Oude
Groenmarkt. Bavo's beeld zou tot 1982 zijn plaats aan de
gevel van door de Hervormden geconfisceerde kerk behouden.
In mei van het daaropvolgende jaar werd het dankzij de BKR
(Beeldende Kunstenaars Regeling) vervangen door een nieuw
exemplaar van beeldhouwer Anne Hofte. Het oude beeld tegenwoordig
staat in de Kerstkapel van de oude kerk opgesteld. Aangezien
de Hervormden de Oude Sint Baaf (door hen de Grote Kerk
genoemd) hadden geroofd, waren de katholieken gedwongen
aan het einde van de 19de eeuw een nieuwe Sint Bavo, de
majestueuze kathedraal-basiliek met het gigantische groen-koperen
koepel aan de Leidsevaart.
St. Bavo wordt meestal afgebeeld als een Vorstelijke ambtenaar
of krijgsman, wat hij was vóór zijn bekering. Dan houdt
hij een valk in de hand, wat herinnert aan de valkenjacht,
een aan de edelen voorbehouden vermaak. Minder vaak wordt
hij afgebeeld als monnik en kluizenaar. Het feest van St.
Bavo is in het spraakgebruik een vast en veel voorkomend
begrip geworden. De feestdag van de heilige "St. Baafsmis"
werd in Vlaanderen afgekort tot Bamis. Dan begint de herfst
met slecht weer, wat leidde tot de uitdrukkingen "Bamisweer"
en "Bamistijd". In Gent en andere Vlaamse plaatsen
kende men de "Bamisfoor", de markt in het begin
van oktober. De vrije dagen omstreeks het feest werden "Bamisvakantie"
genoemd.
St. Bavo wordt aangeroepen bij kinderziekten, vooral bij
kinkhoest. Op sommige plaatsen laat men de kinderen wijwater
drinken uit een kinkhoorn of een koehoorn, die dan de "St.
Bavohoorn" werd genoemd. St. Bavo is altijd beschouwd
als patroon van de valkeniers; in Brugge was hij patroon
van de huidevetters en van de tegel- en strodekkers. Dit
laatste berust op een legende uit zijn leven, die verhaalt
dat hij een voerman, die bij de bouw van zijn cel verongelukt
was, weer tot leven wekte.
Litt. A2 Acta Sanctorum Belgii Selecta dl. 2, p. 597-605,
over de Haarlemse Bavoverering. (1784); B F. Allan, Geschiedenis
en beschrijving van Haarlem van de vroegste tijden tot op
onze dagen, 4 dln., dl.3, p. 187-189 (1874-1888) . B.M.
de Jonge van Ellemeet, Uit de geschiedenis der Haarlemsche
St. Bavo Kerk (1934); J. van Brabant, Sint Bavo, edelman,
boeteling en monnik (1968); Thomas A. Delleman, Een rondleiding
door de Grote of St.-Bavokerk te Haarlem (1985); Met de
heiligen het jaar rond deel II p 287 /*61 Appendix Misboek
Dominikanen/1473/1475 Missale Romanum Ned. editie (1955);/57
; Donald Attwater, Dictionary of Saints (1983).
Sint Beatrix, ook Beatric, Beatrijs (Gest. 304)
Feestdag 29 juli
De naam Beatrix betekend in het latijns: geluk, de gelukbrengende
en is de naamheilige van Hare Majesteit de koningin der
Nederlanden. Hoewel Bea waarschijnlijk is vernoemd naar
de in 1296 gestorven (niet heilige) gravin Beatrix van Holland,
echtgenote van Floris V. Die echter weer was vernoemd naar
de heilige waarvan het bestaan niet onmomstreden is. Sint
Beatrix was de zuster van de martelaren Faustini en Simplicius.
Deze werden in 303 onder de christenvervolgingen van keizer
Diocletianus in de Tiber geworpen en verdronken. Het verhaal
wil dat Beatrix de lichamen van haar broers uit het water
zou hebben gehaald en begraven. Hierdoor verwierf ook zij
het martelaarschap, want vanwege deze daad zou zij gevangen
zijn genomen en verwurgd.
Litt. Missale Romanum Ned. editie (1955)/Met de heiligen
het jaar rond deel 2 p 92.
Sint Beatrix van Bloemendaal, ook Beatrix van Aa,
Beatrix van Lier (gest. 29 augustus 1268). Feestdag 29 augustus.
Beatrix, dochter van welgestelde burgers, werd non bij de
Cisterziensers in Bloemendaal bij Haarlem, daarna in Maagdendaal,
voor zij in 1236 Abdes werd van het door haar vader gestichte
klooster Nazareth in het Belgische Lier. Ze was zeer mystiek
en scheef de eertste mystieke autobiografie en het tot heden
bewaardgebleven werk "Van de zeven manieren der liefde".
Ze was bevriend met Sint Ida van Nivelles en voorloper wat
betreft de Heilig Hart verering.
Becket (Thomas a Becket) zie Kantelberg
Beek en Donk (Noord Brabant)
Bedevaartsplaats in Nederland ca. 1580-1650
volgens kaart 1 in Marc Wingens 'Over de grens'.
Bedaf, gemeente Uden (Noord Brabant).
De plaats Bedaf onder Uden kreeg na de Vrede van Munster
in 1648 de botten van de 'veeheilige' Sint Cunera in bezit.
Bedaf werd vanaf die tijd een geliefde bedevaartsplaats
voor mensen die bij Cunera bescherming zochten voor hun
hoornvee. In Bedaf is een museum voor religieuze kunst in
de Brigittinessen abdij. Zie ook Cunera.
Sint Begga (615-17 december 694)
Feestdag 17 december
Deze dochter van Pippijn van Landen werd rond 615
te Andenne geboren. Ze was de zuster van de
eveneens heilige Gertrudis van Nijvel. Na de dood
van haar man Ansegisel stichte zij in 692 het
klooster Andenne, waar zij op 17 december 694
stierf. Ten onrechte werd zij gezien als
stichteres der begijnen, wier naam echter geen
afleiding is van de Begga, maar van de beige
kleur van hun kleding,.
Sint Benedicta (10de eeuw?) Feestdag bisdom Roermond
27 november Deze Limburgse heilige leefde waarschijnlijk
in de 10de eeuw. Haar relieken worden in het klooster te
Susteren, samen met die van de heilige zusters Amelberga,
Cecilia en Relindis vereerd.
1488 Missale Romanum Ned. editie (1955).
Sint Jan Berchmans (13 maart 1599-
13 augustus 1612) Feestdag
Johannes Berchmans was ook in de zuidelijke
Nederlanden een populaire Jezuieten-heilige.
Geboren op 13 maart 1599 in het Belgische Diest.
Als kind stapt Jan elke dag de Sint-Sulpitiuskerk
binnen om er te knielen bij het Maria-beeld. Maar
het is vooral in Scherpenheuvel waar Jan zijn
grote devotie tot Maria ontwikkeld. Daar wordt
een Mariabeeldje vereerd, dat tegen een oude eik
hing en waar in 1605 een kapelletje werd gebouwd.
Jans moeder wordt ziek en de kinderen gaan naar
de begijne zussen van vader Berchmans. Om de
kosten te drukken, wordt Jan als 'tafelkind' in
de kost gezet bij de pastoor van de
Onze-Lieve-Vrouwkerk. Dagelijks vergezelt Jan hem
om de mis te dienen. Hij gaat daarin zo op, dat
hij vraagt om zelf een toog te mogen dragen,
hetgeen hem wordt toegestaan (niet ongewoon voor
die tijd). Men scheert hem zelfs een klein
kruintje op het hoofd. Zo voelt hij zich al een
beetje priester... want dat is het wat hij wil
worden. Maar vader Berchmans wil dat Jan bij hem
in de leerlooierij komt werken. De tantes-begijn
weten dit, met hulp van de pastoor te voorkomen
en Jan verhuist naar Mechelen, waar hij intrekt
bij de kanunnik van de Sint-Romboutskerk, om er
als huisknecht zijn studiegeld te verdienen. Om
Maria te eren vast Jan alle zaterdagen en daags
voor haar feesten. 's Zondags volgt hij alle
missen en gebedsdiensten en elke vrijdag doet hij
blootsvoets de 'kruisweg van Mechelen' die door
de hele stad loopt. Op 24 september 1616 treedt
hij binnen als Jezuïten-novice. Als eind
november Jan het bericht ontvangt dat zijn moeder
op sterven ligt, schrijft Jan een brief. Moeder
sterft zonder haar zoon te hebben teruggezien.
Vader Berchmans staat er nu alleen voor en ziet
het niet meer zitten. Hij wil zijn zoon alsnog
overtuigen bij hem te komen werken. Maar Jan
raadt zijn vader aan om in Leuven een retraite te
gaan volgen. Vervolgens besluit vader Berchmans
om priester te worden. Omdat zijn latijn nog goed
is, en zijn kinderen opgevangen kunnen worden,
geeft de aartsbisschop de toelating. Reeds na
anderhalf jaar wordt hij priester gewijd. Zoon
Jan doet ondertussen zijn best om full-time
jezuïet te worden. Zijn yell is: 'Maximi facere
minima', het hoogste belang hechten aan de
kleinste zaken. In ascetische oefeningen van
versterving is Jan geneigd te overdrijven, wat
zijn gezondheid zal aantasten. De kinderen, aan
wie hij catechismus geeft, hangen letterlijk aan
zijn rokken en de boeren uit de dorpen rondom
horen liever hem preken dan hun eigen pastoor.
Jan leert ook Frans, want hij wil later
missionaris worden en daarvoor moet je meerdere
talen kennen. Op 14 april 1618 woont Jan de
priesterwijding van zijn vader bij. Enkele
maanden later is het zijn beurt: op 25 september
1618 mag hij zijn geloften uitspreken. Twee dagen
later reist hij naar Antwerpen om er zijn
filosofische studies te beginnen, maar op 18
oktober ontvangt hij het bericht dat hij
uitgekozen is om in Rome te gaan studeren aan het
'Collegium Romanum'. Op 25 oktober 1618 vertrekt
Jan met studiegenoot Bartel Penneman naar Rome.
Kerstmis wordt gevierd in het door Engelen van
Palestina naar het Italiaanse Loreto overgevlogen
woonhuis van de maagd Maria. In Rome krijgt hij
de kamer waar voor hem Aloysius van Gonzaga (zijn
grote voorbeeld) heeft gelogeerd. De missionaire
droom van Jan verandert stilaan. Hij wil niet
meer op verre missie naar China, maar wil
legeraalmoezenier worden van de soldaten die voor
het katholieke geloof strijden. Bovendien wil hij
de verdediger zijn van de 'Onbevlekte
Ontvangenis' van Maria. Op 15 juni 1620 vieren de
jezuïeten groot feest: het lijk van Aloysius van
Gonzaga wordt naar een nieuwe kapel overgebracht
en Jan mag met de kandelaar voorop lopen in de
processie. Velen zien in hem een tweede Aloysius.
Jan wordt zelfs 'Fratel' Angelico' genoemd.
Virgilio Cepari, rector van het Romeins College,
stelt met groeiende verbazing vast dat Jan
middels extreem vasten buitengewone mystieke
ervaringen heeft, die hem fataal worden. Op 6
augustus 1621 stort Jan na een uit de hand
gelopen discussiegesprek in. Hij krijgt hevige
koortsen, dysenterie, gevolgd door
longontsteking. Jan heeft nog één verlangen:
een kruisbeeld, het regelboek en zijn rozenkrans
aan het hart te kunnen drukken. De nacht voor
zijn dood zingt hij nog het 'Ave, Maris stella´.
Op vrijdagmorgen 13 augustus 1621, om acht
minuten over acht overlijdt de man uit Diest. Als
zijn lichaam wordt opgebaard in de kerk, volgt de
bestorming door enthousiaste relikwieënjagers.
Haren en tanden worden afgebroken, vingenagels
uitgerukt. Tot driemaal toe moeten de
medebroeders het totaal gestripte lichaam opnieuw
kleden. Nadat de menigte met geweld uit de kerk
is geramd, wordt Jans hart uit het lichaam
gesneden om in een loden bus naar het
jezuïetencollege van Leuven te worden gebracht.
Wat rest van het lichaam wordt begraven in de
Sint-Ignatiuskerk te Rome, tegenover het graf van
Aloysius van Gonzaga. Jan Berchmans wordt al vlug
door de 'vox populi' (stem van het volk) heilig
verklaard. De officiële Kerk moet het slechts
bevestigen: daarom zet met in 1622 het proces in
voor de zaligverklaring. Maar het duurt tot 9 mei
1865 eer paus Pius IX de zaligverklaring van
Johannes Berchmans bevestigt, op grond van drie
wonderen. Zijn heiligverklaring volgt op 15
januari 1888 door paus Leo XIII op grond van twee
wonderbare genezingen.
BIBLIOGRAFIE: Mère MARIA LIOBA, vert.
P.TROUILLEZ, Sint-Jan Berchmans, Mechelen, 1980;
K. SCHROETERS, S.J., Sint Jan Berchmans, een
vaandrig van Christus, Mechelen, 1949; K.
SCHROETERS, S.J., Sint Jan Berchmans van Diest,
Kasterlee, 1963; Mgr. Kardinaal VAN ROEY, De
jeugdige heilige Joannes Berchmans, Averbode,
1938; MARC BRANS, Diest en Sint-Jan Berchmans,
Diest, 1999
Bergen (Noord Holland). Het Bloedwonder van Bergen
maakte van de kerk een belangrijke bedevaartsplaats in Kennemerland.
Zo werd Bergen werd met name genoemd in het het bedevaartverbod
dat de Staten van Holland in 1587 afkondigden. Op straffe
van hoge geldboete werd het houden van bedevaarten verboden.
Bergen op Zoom. De jaarlijkse Maria-Ommegang van
Bergen op Zoom heeft een rijk historisch verleden. In of
rond het jaar 1400 spoelt op het Scheldestrand een eikenhouten
kruisbeeld aan. Het is zwart van het zeewater en bekleed
als koning, getooid met een gouden kroon. Dit gevonden beeld
werd in optocht de stad binnengedragen. Vanaf die tijd werd
het elk jaar op de zondag na Beloken Pasen in een ommegang
door de stad gedragen. In de Middeleeuwen groeide het uit
tot een waar volksfeest. Totdat het op 23 april 1572 verboden
werd op last van de burgemeester en de schoutenen. Het zou
ruim 370 jaar duren tot 15 augustus 1945 tot het tot herstel
zou komen en de Ommegang opnieuw door Bergen op Zoom trekt.
Iedere jaar vertrekt op de laatste zondag van juni om 15.00
uur de Ommegang vanuit het middeleeuwse Markiezenhof. Ruim
duizend deelnemers trekken dansend en musicerend door de
stad via de Steenbergsestraat - Lievevrouwestraat - Westersingel
- Glymesstraat - Auvergnestraat - Van Dedemstraat - Wassenaarstraat
- Stationsstraat - Wouwsestraat - Zuivelstraat - Grote Markt
- Fortuinstraat - Steenbergsestraat weer terug naar het
Markiezenhof, waar de stoet wordt ontbonden. De stoet uit
Bergen op Zoom is, buiten de Amsterdamse Mirakelstoet die
eenmaling in 1991 door de Amsterdamse Staatsliedenbuurt
trok, als enige in Nederland overgebleven.
Info: Secretariaat Maria Ommegang, Florastraat 46, 4613
CS Bergen op Zoom, tel. 0164 257307 email: info@mariaommegang.nl
website http://www.mariaommegang.nl/
Sint Berlindis (10de eeuw) Feestdag 3 februari.
Vlaamse heilige, waarschijnlijk in het begin van de 10de
eeuw te Meerbeke geboren. Volgens een hagiografie uit de
11de eeuw werd zij door haar vader onterfd en leefde als
kloosterlinge te Moorsel en te Aalst. Na haar vaders dood
keerde zij naar Meerbeke terug. Berlindis genoot devotie
in Brabant en Zeeland.
Sint Bernold van Utrecht, ook Bernulfus, Bernulf
van Utrecht. (Gest. 19 juli 1054) Feestdag aartsbisdom Utrecht
8 november. Op 24 september 1027 wordt Bernold als opvolger
van sint Adelbold voor het eerst als bisschop van Utrecht
vermeld. Hij was een vertrouweling van keizer Koenraad II.
Onder hem breidde het wereldlijk geboed van het Sticht zich
aanmerkelijk uit, vooral in Twente en Drenthe, door schenkingen
van de keizers Koenraad II en Hendrik III, wier politiek
hij steunde. Zo nam Sint Bernold deel aan de strijd tegen
de Hollandse graaf Dirk IV. Bernold verplaatste het door
Sint Ansfried gestichtte klooster Hohorst bij Amersfoort
naar de door hem opgerichte Paulusabdij te Utrecht. Ook
stichtte hij de Utrechtse kapittelkerken Sint-Pieter en
Sint-Jan. Bernold stierf op 19 juli 1054 en werd schutspatroon
van het gilde voor kerkelijke kunsten. Onderzoek in de vijfiger
jaren toonde aan dat hij niet identiek is met de gelijknamige
Heilige pastoor Bernulf van Oosterbeek.
Met dank aan Katrijn Kuypers. 1457 Missale Romanum Ned.
editie (1955);/p79 II heilige jaar rond/ zie pag. 50 Onze
Nederlandse stam en staat./*57 Appendix Misboek Dominikanen.
Sint Bernulf van Oosterbeek, ook Bernulfus, Bernold
van Oosterbeek. Heilige pastoor van Oosterbeek op de Veluwe,
die lange tijd identiek werd gehouden met de heilige bisschop
van Utrecht met dezelfde naam.
1457 Missale Romanum Ned. editie (1955);/p79 II heilige
jaar rond/ zie pag. 50 Onze Nederlandse stam en staat./*57
Appendix Misboek Dominikanen.
Biesland, Maastricht. Jaarlijks trekt op de zondag
voor 12 mei, het feest van Sint Servaas, een bronprocessie
naar de St. Servatiusbron in Biesland. Ontstaan toen Sint
Servaas van Tongeren naar Maastricht vluchtte. Toen hij
dorst had, klopte hij, net als Mozes, met zijn wandelstok
op de grond. En voorwaar, een bron ontsprong. Het zou geen
gewoon water blijken te zijn, maar bijzonder heilzaam tegen
zweetvoeten. De kanunniken van de Servaaskerk in Maastricht
hebben tal van pogingen ondernomen dit heilig water naar
hun kerk te leiden. De houten leidingbuizen van Biesland
tot op het Vrijthof waren geen succes. Ook al had het kapittel
in 1496 er een put voor laten graven, waarop een fier spuitende
fontein zou komen. In 1503 besloot de raad er maar een gewone
waterput met deksel van te maken ten gerieve van de burgerij
zonder meer. In 1595 wilde de Raad toch proberen het water
uit de Heilige St. Servatiusbron te halen en de blijkbaar
deskundige kanunnik Johan Rycke zou het in 1603 uitvoeren,
maar als het niet lukte moest hij het geld teruggeven aan
het stadsbestuur. Er kwam narigheid van, door overmacht.
Want Johan Rycke was in Breda gevangen gezet, zodat een
ander op zich nam het werk te voleindigen. Het bleef een
mislukking. Men kon er wel water putten, maar springen deed
de fontein niet. Tot op heden moeten Maastrichtenaren naar
de Biesland voor hun Heilig Water. Jaarlijks trekt op de
zondag voor of op zondag 12 mei, het feest van Sint Servaas,
om 10.00 uur een bronprocessie met o.a. hoofd Sint Servaas
vanaf Theresiakerk (Sint Theresiaplein 8, 6213 CG Maastricht
tel. 043 321 5591) via de Cannerweg naar de Sint Servaasbron
in de Biesland, de groene long van Maastricht. Daar heeft
in de Open Lucht een misviering plaats met aansluitend Fruhshoppen.
Info voorzitter broncommissie Frans Boulanger tel 043 321
42 31.
Sint Blasius ook Blaas, Blaise. Feestdag 3 februari.
Patroon van de keelziektes en wilde dieren. Op 3 februari
wordt in de katholieke kerk de zgn. Blasiuszegen gegeven.
Bij de zegen schaart de priester met twee kruislings gehouden
gewijdde kaarsen de keel van de gelovige en zegt: Door tussenkomst
van de heilige Blasius, bisschop en martelaar, behoede de
Heer U tegen alle keelziektes en tegen alle ander kwaad.
Als je na die derde februari nog last had van een lopende
neus, kwam dat vast vanwege de zondes die je na de Blasiuszegen
nog had bedreven, want anders was het onmogelijk dat je
nog kriebels in de keel had. In het koude noorden met alle
griepen en verkoudheden had de heilige Blasius een vaste
klantenkring als patroon tegen keelziektes. De legende wilde
dat de heilige Blasius ooit een kind had gered toen deze
dreigde te stikken in een visgraat. Blasius was de bishop
van Sebastea in Armenië die werd doodgemartelt onder de
regering van de Romeinse keizer Licinius in het begin van
de vierde eeuw. Historisch gezien stammen de eerste gegevens
van vierhonderd jaar later, want uit de achtste eeuw stamt
de legende van sint Blasius. Hij zou uit een rijk en nobel
geslact stammen en opgroeien als christen. Nadat hij bisschop
was geworden, begon een nieuwe vervolging van deze secte.
Blasius ontving een hemelse boodschap. Hij moest zich in
de bergen verbergen om aan de achtervolging te ontkomen.
Mannen die daar op jacht waren, ontdekte een grot waaromheen
zich allerhande zieke wilde dieren ophielden. En waartussen
de onverschrokken Blasius rondliep om de zieke dieren te
genezen. Toen ze Blasius als bisschop herkende, vingen ze
hem om hem mee te nemen om veroordeeld te worden. Onderweg
sprak Blasius met een wolf en wist het beest er toe te bewegen
het zojuist gevangen varken vrij te laten. Het varken was
het enige bezit van een arme vrouw. Nadat Blasius was veroordeeld
de hongerdood te sterven, wist de vrouw van het varken heimelijk
de gevangenis te betreden met voedsel en kaarsen. Uiteindelijk
zou Blasius door de gouverneur zelf de hemel ingeholpen
zijn.
Bolsward, mirakelbeeld OLVrouw van Sevenwouden,
ook Ons Lieffrouw van Sevenwouden.
Aan de noordzijde van de dubbele poort van de Sint Franciscuskerk
in Bolsward bevinden zich in een voor een deel wit geschilderde
kapel het Mirakelbeeld van Onze Lieve Vrouwe van Zevenwouden
(Ons Lieffrou fan Sevenwouden). Het beeld van Moeder met
het kind moet omstreeks 1280 uit eikenhout gesneden zijn.
In 1515 stond het beeld in een houten huisje op de "Post",
een brug in de Kerkstraat. In dat jaar werd Bolsward verwoest
door de Zwarte hoop: de muitende soldaten van de Saksische
hertogen. Het Kapelletje verbrandde en de Madonna leek verloren,
ware het niet dat het een paar dagen later rechtopstaande
in het water werd gevonden. Dit werd algemeen als een groot
wonder beschouwd en de Madonna kreeg een prachtige stenen
"Kapelle op de Post". In de eerste helft van de
zestiende eeuw groeide de roem van de Bolswarder Lieve Vrouw
tot buiten de Friese landsgrenzen. Het Mirakelboek vermeldt
een lange reeks wonderen. De Madonna ontkwam aan de beeldenstorm
en werd met grote zorg bewaard. Pas in de loop van de achttiende
eeuw werd het weer openbaar vereerd. De feestdag van de
Bolswarder Maria is de zondag voor Pinksteren. De dag waarop
Bolsward in 1515 werd geplunderd door de Zwarte Hoop.
Sint Bonifatius (Crediton ca 675-Dokkum 5 juni 754).
Feestdag 5 juni. Een van onze ´nationale´ heiligen. Overigens
hebben ze in Duitsland dezelfde claim op deze sint, die
eigenlijk Winfried heette en tussen 672-75 wordt geboren
te Crediton, graafschap Wessex in zuid-west Engeland. Na
685 wordt hij opgenomen in een klooster te Exeter. In Nursling
word hij monnik en heeft zijn priesterwijding plaats. In
716 ging hij voor het eerst naar Friesland, maar koning
Radboud geeft hem geen toestemming de Friesen tot het christendom
te bekeren. Na een jaar keert hij teleurgesteld terug naar
Engeland, waar hij in zijn klooster te Nursling tot abt
wordt gekozen. Kort daarna, in 718, reist hij naar Rome,
waar paus Gregorius 11 (715-731) hem opdracht geeft de bevolking
van Beieren, Thüringen, Hessen en Friesland te bekeren.
De paus geeft ook een nieuwe naam aan Winfried, Bonifatius
(brenger van het goede). In 721 is Bonifatius een tijdlang
bij Sint Willibrord, de heilige aartsbisschop van Utrecht.
Het daarop volgende jaar wordt hij gewijd tot missiebisschop
zonder vaste standplaats. In 732 wordt Bonifatius tot aartsbisschop
van Mainz verheven. Bonifatius stichtte overal waar hij
kwam bisdommen en kloosters, waaronder in 744 het klooster
Fulda, waar hij het eerste concilie van de west-frankische
kerk uitschrijft. In 752 zalft Bonifatius Pippijn tot koning
der Franken. Volgens de overlevering werd hij op 5 juni
754 tijdens een missietocht tegen de Friezen, samen een
peleton van 52 gezellen te Murmerwoude vermoord, volgens
de overlevering duid een bron de plek waar de Bonifatius
en zijn commando's werd vermoord. In zijn laatste ogenblikken
zou Bonifatius de Ragyndrudis-codex boven zijn hoofd zou
hebben gehouden om de slagen af te weren. Zijn lichaam wordt
samen met de gehavende codex via Utrecht naar Fulda overgebracht.
Daar rust deze martelaar in een prachtige schrijn. Onderzoekers
van de oudste historische bronnen zijn het er niet over
eens of de genoemde plaatsaanduiding waar Bonifatius de
genadeslag opliep bij Dokkum, of in het Belgische Scheldedal
lag. Dokkum had in elk geval wel een Bonifatiusbron en wordt
in de vroege middeleeuwen een bekende bedevaartsplaats.
Volgens de overlevering zou de H. Liudger (742-809), Fries
van geboorte en later de eerste bisshop van Munster in Westfalen,
de eerste parochiepriester van Dokkum geweest zijn na de
marteldood van Bonifatius en vanuit Dokkum vertrekt Liudger
in opdracht van keizer Karel naar Westfalen en later naar
het oosten in de buurt van Helmstedt. In Liudgers tijd werd
er begonnen met de bouw van een klein houten Bonifatiuskerkje
aan de Bargemerk. Er vestigde zich een groepje monniken
die naast de kerk een klooster en een school bouwden en
zo Dokkum tot een geestelijk middelpunt in de omgeving maakten.
Ze leefden volgens de regel van de H. Augustinus en legden
rond het jaar 1000 de kloostergeloften af. Behalve school
en klooster ontstonden er ook een tehuis voor vreemdelingen,
een ziekenhuis en een weeshuis. Tot aan het begin van de
16e eeuw bestaat er in Dokkum een heiligdomsvaart, zoals
tot op heden gehouden wordt in Maastricht en Aken. Na de
reformatie werden de room katholieke van hun gebouwen, kerken
en kloosters beroofd. Tussen 1671 tot 1874 werden ze gedwongen
hun eredienst in een woning aan de Hoogstraat te houden.
In 1878 verleent paus Pius IX een aflaat op Dokkum. De van
oorsprong friese pater Carmeliet Sint Titus Brandsma is
de grote initiatiefnemer voor de herleving van bedevaarten
naar de Bonifatiusbron. Titus Brandsma nam in 1924 deel
aan de eerste bedevaart van friese priesters naar de Bonifatiusbron.
Een jaar later werd de St. Bonifatiusstichting opgericht
voor de bouw van een Bonifatiuskapel in de nabijheid van
heilige bron. Over het ontstaan van de Bonifatiusbron zijn
verschillende verhalen in omloop. In de latijnse levensbeschrijving
van Willibald wordt vertelt dat deze zoet waterbron werd
ontdekt tijdens het opwerpen van de terp kort na de moord.
De prefect Abba, die namens de frankische koning Pippijn
deze werkzaamheden leidde, reed met zijn gevolg om de heuvel
heen. Het paard van een van hen zakte plotseling in de weke
bodem weg; toen het met vereende krachten eruit getrokken
was, welde zoet water op. Een andere legende luidt dat Bonifatius
op zoek is naar zoet water. Deze truuk werd enige eeuwen
eerder ook al toegepast door Sint Servaas in het Maastrichtse
Biesland: Ook Bonifatius tikte met zijn bisschopsstaf op
de grond en onder het aanzwellen van hemelse klanken welde
de bron op. Van oudsher werd aan deze bron geneeskrachtige
werking toegeschreven, maar ze was eeuwenlang van groot
belang voor de watervoorziening van Dokkum; waar ook de
bierbrouwerijen gebruik van maakten.
Sinds 1956 is de Bonifatiusbron het officiële bedevaartsoord
van het bisdom Groningen.
Naast de bron onthulde Beatrix van Oranje-Nassau op 5 juni
1962 een 2,50 meter hoog beeld van de martelaar met het
opschrift: HIC BONIFATIO LUMEN VITAE EXTORTUM DCCLIV HIC
FRISIAE EVANGELII LUMEN EXORTUM, ofwel Hier werd Bonifatius
in 754 het levenslicht ontnomen. Hier ging voor Friesland
het licht van het Evangelie aan.
Op de sokkel worden de geboorteplaats Crediton en Fulda,
de laatste rustplaats van Bonifatius vermeld.
In 1990 kwam de Bonifatiusbron in de publiciteit nadat een
kind, gedompeld in het water van de bron, op niet verklaarbare
wijze plotseling werd genezen van kinkhoest. Opnieuw stroomden
de pelgrims toe. Het probleem dat de bron net buiten het
kerkelijk terrein ligt werd voortvarend aangepakt. De inwijding
van een buizensysteem dat het bronwater binnen de omheining
van het Bonifatiuspark brengt had in 1993 plaats. Gelijktijdig
werd een tap ingezegend voor pelgrims die het mirakuleuze
bronwater willen tanken.
De volle aflaat op Dokkum geld voor alle rooms katholieken
pelgrims die na biecht en de communie op 5 juni of een andere
dag in deze maand in de kerk van Dokkum bidden voor het
groeien van de kerk. Deze aflaat werd in 1878 verleend door
Zijne Heiligheid paus Pius IX
Litt.: Peter Karstkarel/Rienk Terpstra: Beschrijving Parochiekerk
en Bonifatiuskapel te Dokkum, Dokkum 1986; H. Peters: Bonifatius
in Dokkum, het verhaal van een levende, Dokkum 1990; Hugo
Kingmans: Op Pelgrimreis, Uitgave: Stichting Kultuer en
toerisme yn Fryslan; 507 I heilige jaar rond zie pag. 50
Onze Nederlandse stam en staat./*39 Appendix Misboek Dominikanen/850/872
Missale Romanum Ned. editie (1955);/68 ; Donald Attwater,
Dictionary of Saints (1983). Lees de correspondentie
van Bonifatius.
Den Bosch, ook ´s Hertogenbosch. Bedevaartsplaats
van het mirakelbeeld van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch
in Noord Brabant. Het beeld werd in 1630 in veiligheid gebracht
voor de sloopzucht der calvinistische overheid. In Brussel
werd het overladen met eerbetoonm maar het keerde uiteindelijk
toch weer terug naar de Noord Brabantse hoofdstad. Op de
2de zondag in mei (moederdag) heeft de Bidtocht met gilde
en schutters plaats. Het is de enigedag in het jaar dat
het miraculeuze beeld van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch
mee naar buiten gedragen wordt. Langs de Bidweg bevinden
zich Mariale beeltenissen die tijdens de tocht op Moederdag
en de 9 dagen van de noveen die beginnen op 7 juli, de Feestdag
van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, worden de Mariabeelden
langs de Bidweg versierd met bloemstukken en de blauw/witte
Maria-vlaggen.
Boudewijn IX. In de middeleeuwen genoot Boudewijn
IX een zekere verering. De uit de Nederlanden als kruisvaarder
afgereisde graaf Boudewijn kreeg in de Aya Sofya van Istanboel
de keizerskroon opgedrukt en was daarmede keizer van het
Oost Romeinse Rijk.
Boxmeer (Noord Brabant) Twijfelen aan de transsubstantiatie
kan grote wonderen tot gevolg hebben. In het jaar 1400 ondervond
priester Arnoldus dat in Boxmeer. Tijdens de misviering
in de crypte van de St. Petrusbasiliek heeft hij het even
moeilijk te geloven in de verandering van brood en wijn
in het lichaam en bloed van Christus. Toen gebeurde het
bloedwonder. Net als twintig jaar eerder in Boxtel het geval
was. In de is de crypte is nog steeds de plek te bezichtigen
waar het Heilig Bloedwonder zou hebben plaatsgevonden. Eeuwenlang
is er zeer veel over de Vaart gepubliceerd in binnen- en
buitenland. Officiële documenten werden opgemaakt,
maar die werden rond 1582 vernietigd door protestantse barbaren
en in 1631 opnieuw geformuleerd. Tot de zestiger jaren van
de vorige eeuw kende Boxmeer een Vaart-weekend. De jeugd
kreeg een week vrijaf. De Vaart trok in die week drie keer
via verschillende routes door Boxmeer. De route via Het
Zand is overgebleven. Een "woelige tijd" na het
Tweede Vatikaans Concilie deed het ergste vrezen voor de
Boxmeerse Vaart. In 1980 werd een comité van zes
Vaartmeesters opgericht die de Vaart erin moesten houden
en nog altijd trekt elk jaar twee weken na Pinksteren, de
zogenaamde Vaartprocessie
door de straten van Boxmeer met het bloedrelikwie, bescherm
door het blote zwaard van de kerels van het Heilig Bloedgilde.
Die in stemmig zwart en rood gestoken gilde en hun vaandelzwaaiers
waren in de jaren 90 van de vorige eeuw ook in Amsterdam
te zien tijdens het Amsterdams Mirakelspel. Boxmeer heeft
meer in de aanbieding, want het is ook een bedevaartsplaats
rond de cultus van 'veeheilige' Rochus, ofwel San Rocco,
wiens cultus als pestheiligen vanaf de tweede helft van
de zeventiende eeuw door de franciscanen werd verbreid.
Zijn definitiefe doorbraak maakte Rochus tijdens de grote
runderpestepidemie die rond 1745 woedde, en er een Rochuskapel
werd gebouwd in Boxmeer. zie ook Rochus.
Boxtel (Noord Brabant) In 1380 had te Boxtel een
bloedwonder plaats toen de onhandige priester Eligius Aecker
in de parochiekerk tijdens het opdragen van de mis een kelk
gevuld met witte miswijn omstootte. De wijn kleurde donkerrood
op het corporale (waarop kelk en ciborie werden geplaatst)
en op het altaardoek, lijkend op het bloed van Christus.
Eligius heeft de bloeddoeken nog proberen te wassen. Of
dat nu in de rivier de Dommel of in een put was, dat wordt
uit de overlevering niet duidelijk. Deze onzekerheid speelde
pelgrims tot in de twintigste eeuw blijkbaar de nog parten,
want sommigen namen water uit de Dommel, anderen gebruikte
het water uit de put bij de molen als geneeskrachtige bron.
Het wonder der H.H. Bloeddoeken maakte dat er eeuwen lang
pelgrims naar deze plaats trokken. In Boxtel was het omstreeks
1610 nog gebruikelijk genezing te verkrijgen middels het
weegoffer . Hiertoe werd de zieke gewogen op een houte balans,
die negen maal op en neer diende te gaan. Als tegenwicht
werd de Heilig Bloedschrijn gebruikt, waarin een gleuf zat
waardoor tijdens het wegen geld werd geworpen. Ook in het
nabij Boxtel gelegen bedevaartsoord Vught was het weegoffer
in zwang. De Heilig Bloeddoeken gingen ook op toernee. Zo
herdenkt men nog jaarlijks in het nabij Tilburg over de
Belgische grens liggende Weelde-Poppel op Drievuldigheidszondag
het feit dat in 1648 het doek van het H.Bloed van Boxtel
één nacht in de St.-Janskapel heeft doorgebracht.
De bloeddoeken van Boxtel werden in 1652 in veiligheidgebracht.
Ze maakte tal van omzwervingen en belandden uiteindelijk
in de St. Catharinakerk van Hoogstraten. Hier ontkwamen
ze aan de calvinistische barbarij van de wettelijke overheid.
In Hoogstraten zou het reliek de daaropvolgende eeuwen het
voorwerp worden van een levendige cultus. Een doek, de 'Corporaaldoek'
kwam in 1924 terug naar Boxtel.
Sint Brandaris ook Brandanus, Brendan. (486-16 mei
578) Feestdag 16 mei Deze heilige die zijn naam gaf aan
de oudste vuurtoren (1323) van Nederland, werd niet op Terschelling
maar in het Ierse Kerry geboren. Als kind werd hij opgevoed
door de heilige Ita van Killeedy. Daarna werd Brandaris
monnik en priester. Er zijn weinig betrouwbare gegevens
over zijn leven, behalve dat hij rond 560 het klooster van
Clonfert in Galway stichtte, dat tot in de 16de eeuw bestond.
De roem van Brandaris is te danken aan de diverse vertalingen
van een verhaal uit de 10de eeuw: Brendan's Voyage. Hierin
een aantal aan deze heilige toegeschreven wonderbaarlijke
avonturen die hij zou hebben beleefd toen hij met een aantal
monniken naar een paradijselijk Beloofde Land in de Atlantische
Oceaan zeilde. Dit Beloofde Land werd later o.a. geidentificeert
met plaatsen als de Kanarische Eilanden, Groenland en zelfs
Terschelling. In feitte bezocht Brandaris, zoals zoveel
Ieren in die tijd, Iona en de westkust van Schotland en
misschien ook Bretagne.
Litt. Tim Severin, The Brendan Voyage (1978);
Donald Attwater, Dictionary of Saints (1983).
Brandsma, zie Sint Titus
Brielle, ook Den Briel, zie Martelaren van Gorcum.
Heilig Bloed van Brugge. Het Belgische Brugge trok
vanaf de vroege middeleeuwen veel pelgrims uit de Noordelijke
Nederlanden. Hun doel was de St.-Salvatorkathedraal, speciaal
gebouwd om het relikwie met het bloed van Jezus Christus
op passende wijze te huisvesten. Het relikwie, een stukje
stof met bloedsporen, was door Jozef van Arimathea.gebruikt
om de wonden van Christus te deppen, werd in 1150 door de
Graaf van Vlaanderen vanuit Palestina naar Brugge gebracht.
De oudste vermelding hiervan stamt uit 1256.
Sint Bruno de Grote (926-11 oktober 965) Feestdag
11 oktober.
Deze in 926 in Holland geboren heilige was een zoon van
Hendrik de Vogelaar (Henry I) en Sint Matilda. Bovenal was
hij de broer van keizer Otto I. Zijn moeder bracht hem vanaf
zijn jongste de vroomheid bij, want het was duidelijk dat
Bruno in dienst van Gods zou treden. Als hij vier jaar is,
wordt hij reeds aanbevolen aan Bischop Balderik van Utrecht,
die Bruno onderwijst in de klassieke literatuur, filosofie
en dichtkunst en hem ook de klassieke Griekse taal leert.
Zijn broer keizer Otto I benoemd hem in 940 tot zijn kanselier
en privé-secretaris. Kort daarop volgt de benoeming
tot abt. Bruno komt aan het hoofd te staan van twee als
zeer losbandig bekend staande kloosters, die hij tot het
strikte leven onder de Regel van Sint Benediktus weet terug
te brengen. Bruno neemt deel aan de Synode (Kerkvergadering)
van Verduin in 947 en bewerktstelligt de vrede tussen Frankrijk
en Duitsland. In 950 wordt Bruno tot priester gewijd en
in 953 tot aartsbisschop van Keulen en hertog van Lotharingen
benoemd. In Lotharingen versterkte hij het keizerlijk gezag
van zijn broer Otto ten koste van de lokale adel. Bruno
was in feite de eerste vertegenwoordiger van een Rijkskerk,
de instelling die het wereldlijk gezag aan hoge geestelijken
toekende om het koninklijk gezag te versterken in het Duitse
Rijk (het zgn. Ottoonse stelsel). Op 11 oktober 965 sterft
Bruno te Reims. Het zal ruim negen eeuwen duren voor Rome
het opportuun acht om hem in 1870 alsnog heilig te verklaren.
INDEX
Ontbreekt er informatie?
Is er een situatie veranderd?
Laat dat dan in ons Hollandse
Heiligen mededelingenboard weten.
Deze on-line encyclopedie van Nederlandse Heiligen, Genadeoorden
en bedevaartsplaatsen is geschreven door Mohamed el-Fers.
Van dezelfde auteur verschenen o.a.:
Jacques Brel ISBN 90-5330-245-X, in België ISBN 90-5312-113-7;
Istanbul ISBN 90-5330 240 9, in België ISBN
90-5466 790 7;
Columbus ISBN 90-5330-032-5;
Bob Marley ISBN 90-5330-015-5;
Oum Kalsoum ISBN 90-5330-036-8;
Mehmed VI Vahdeddin, de laatste sultan ISBN 90-5330-023-6;
Ramadan, meer dan vasten (Mohamed el-Fers en drs
Veyis Güngör) ISBN 90-736-1613-1.
Hoe gevaarlijk zijn de Turken? (Mohamed el-Fers en
drs Chris Nibbering) ISBN 90-9011-752-0;
Encyclopedie van Hollandse Heiligen en Genadeoorden
RKBN 2002-00012612
Theater: ´Amsterdams Mirakelspel´ en ´De Zaak
Schnitke´ (premiére voorafgaande aan de Alfred Schnitke
opera ´Life with an idiot´ in aanwezigheid van de componist
en H.M. koningin Beatrix en Z.K.H. prins Claus der Nederlanden).
All sites © Mohamed el-Fers
|