De weg naar Heiligheid
Het lichaam verwerkt tot reliquair
Het enthousiasme
bij het tonen van relieken moet destijds hetzelfde enthousiasme
hebben veroorzaakt als het omhoog houden van de trofee van
een voetbalkampioen.
Maar er was meer. Is een voetbalbeker de prijs voor het
beste elftal van dat moment, een relikwie was meer. Er kon
genade uitstralen en genezingen veroorzaken.
Waar het uiterst kleine relieken betrof - soms niet meer
dan botsnippers, haren, of stukjes kleding van enige vierkante
millimeters - werden die bewaard in monstransvormige objecten.
Het reliek zelf bevindt zich dan meestal achter glas. De
meest gangbare vorm om relieken te bewaren, was het gebruik
van het reliquair. Een dergelijke reliekhouder kreeg vaak
de vorm van het lichaamsdeel dat erin bewaard werd (buste,
arm, voet).

Inhoud reliquair van de Hollandse paus Adriaan
VI.
Het hoogtepunt van iedere reliekcollectie was een intact
lichaam, dat wil zeggen, een lichaam dat niet verder was
opgedeeld ten behoeve van andere kerken. Het overgrote deel
van dergelijke heilige lichamen werd in rijk versierde graftombes
bewaard in kapellen en cryptes, en met een zekere regelmaat
- bijvoorbeeld op de sterfdag van de heilige of bij nood
en ontij - tevoorschijn gehaald en in processie door de
stad gedragen of openlijk tentoongesteld.
Een stoffelijk overschot dat niet ontbinden
wil, kon permanent tentoongesteld worden in een
kist van glas. Als in een vitrine lag de heilige
in de onderhelft van het altaar, duidelijk
zichtbaar voor alle gelovigen. De heiligen die op
dergelijke wijze nog steeds opgebaard liggen en
die ik met eigen ogen mocht aanschouwen - soms na
het inwerpen van enige muntstukken voor
automatische belichting - maken zelfs voor de
oogopslag van een leek duidelijk dat het begrip
`intact' zeer ruim genomen moet worden. In de
regel ziet men van het intacte lichaam niet meer
dan het hoofd en de extreme lichaamsdelen, handen
en voeten. Van frisheid is geen sprake,
mummificering lijkt nog de beste aanduiding.
Saint Madame Tussaud
Omdat zelfbewarende lichamen schaars waren
maar wel op een zeer hoge attentiewaarde konden
rekenen, werd later een variant bedacht: een kerk
die in het bezit was van enige redelijk
significante relieken, liet deze resten inbouwen
in een wassen pop, die in alles geleek op het
lichaam van de heilige op het moment van
versterving.
Een dergelijke aanpak had nog twee andere
voordelen: het idee van de `onvergankelijkheid'
werd er nog sterker door gesuggereerd, en
kleinere relieken konden worden getoond op een
wijze die zeer tot de verbeelding sprak.
Deze manier van tentoonstellen komt vooral in
de negentiende eeuw in de Franse religieuze mode,
de eeuw waarin het vervaardigen van wassen
beelden de hoogste graad van perfectie bereikt.
De eeuw ook waarin het enorme verlies aan
relieken, opgelopen tijdens de Franse revolutie,
gecompenseerd moest worden.
Dergelijke wassen beelden, tentoongesteld in
vitrines, zal de nieuwsgierige reiziger nog
steeds met grote regelmaat tegenkomen in
Frankrijk, Italië, Duitsland en Spanje.
Zalige tong
De tong neemt in een aantal gevallen een
uitzonderlijke plaats in, omdat dit lichaamsdeel
het symbool is van het spreken en het woord dat
zo'n belangrijke bijdrage aan de verspreiding en
instandhouding van het katholicisme levert.
De zalige Baptiste van Vanaro bleef dertig jaar
onbedorven. Vanaf 1557 verviel zijn lichaam, op
de tong na. Die wordt nog steeds apart bewaard in
Camerino.
De beroemdste intacte tong is echter die van
Antonius van Padua (1191-1231).
Het was de heilige Bonaventura zelf die toe ziet
als in 1263 de overbrenging van de stoffelijke
resten naar de basiliek die ter ere van de
Portugees Antonius in het Italiaanse Padua is
gebouwd. De tong van Antonius blijkt
ongeschondenin en de frisheid ervan wordt
vastgesteld door de voorman van de franciscanen.
Hij nam de tong uit het lichaam en kuste die met
de woorden: `Oh, zalige tong... wat zijt gij
kostbaar...'
Bij een onderzoek naar de relikwieën op 15
februari1981 werd geconcludeerd dat ook de
stembanden van boeteprediker Antonius nog steeds
in takt waren, al had de heilige er 750 jaar niet
mee gesproken!
Toen de heilige martelaar Johannes Nepomucenus
in 1714 na 350 jaar werd opgegraven, vond men hem
weliswaar niet volkomen onbedorven, maar zijn
botten waren dan toch `volledig, en zaten perfect
aan elkaar vast.' Ook zijn tong was `zo fris en
zo goed bewaard' dat het leek alsof Johan `pas
gisteren' begraven was. Nog in 1850 werd
vastgesteld dat de tong, die in Praag aanbeden
wordt, sans aucune marque de corruption was.
Van de ongeveer 2000 heiligenlevens die in een
grote verzameling heiligenlevens (Vies des
Saints) de revue passeren, wordt in eenenzeventig
gevallen herinnerd aan het uitblijven van verval.
Vier procent van alle heiligen kan aanspraak
maken op enige vorm van (tijdelijke) intactheid.
Waarvan sommigen onder extreme toestanden. Van
de heilige Casimir (1483), vroeger prins en nu
patroon van Polen, wordt verteld dat zijn lichaam
in 1603 nog intact was, ondanks de `uiterst
vochtige atmosfeer' van de grafkelder.
De tombe van de eerbiedwaardige César de Bus
(1607) had `meer dan een jaar onder water
gestaan'; desondanks bleef zijn lichaam intact.
Ongewild komisch voegt het Vies des Saints eraan
toe dat César bovendien aan waterzucht overleden
was.
De heilige Bénézet lag begraven in de kapel van
de beroemde pont d'Avignon (waarop men danste),
boven het water van de Rhône. Zijn lichaam was
nog intact toen de brug het al begon te begeven.
Hij stierf in 1184 en in 1764 was het lichaam nog
in dezelfde staat, ondanks het feit dat `de
ijzeren staven die de kist omringden geroest
waren van het vocht.'
In al deze gevallen zijn de lichamen
ondergebracht in een bovenaardse maar goed
geïsoleerde omgeving die de ontbinding
belemmert: grafkelder, tombe. Wat de grafkelders
betreft weet men tegenwoordig dat de aanwezigheid
van meerdere lijken de gasuitwisseling zodanig
snel en hevig beïnvloedt dat ontbinding ernstig
gehinderd wordt. Een vochtige atmosfeer is, in
tegenstelling tot wat men vroeger dacht, niet
bevorderend voor de ontbinding. Vochtigheid duidt
op gebrek aan zuurstof. Zelfs in aarde begraven
lichamen ontbinden niet of nauwelijks als de
vochtigheidsgraad in de grondlaag te hoog is.
Hoe nauwkeurig de natuur haar eisen stelt wordt
duidelijk als we weten dat een te grote
gasuitwisseling weer een ander effect heeft: dat
van de mummificatie. Het lichaam droogt uit en de
huid krijgt het aanzien van perkament. Dat dit
het geval is geweest bij een aantal `intacte
heiligen' kunnen we vaststellen door de legenden.
Het is bekend dat mummies bij een ontactische
behandeling in een fractie van een seconde tot
stof kunnen vervallen. Dat gebeurde onder anderen
met de heilige Romuald (1027) en de heilige Remi
(533) toen rovers in respectievelijk 1480 en 1646
hun graf schonden. Het is niet de zonde die
ontbindt, maar de zuurstof.
Eeuwige biecht
Jean-Marie Vianney , `Pastoor van Ars',
overleed in 1859. Na zijn zaligverklaring (1905),
werd hij opgegraven en permanent tentoongesteld
in de basiliek van Ars. Zijn lichaam is gekleed
in het kostuum van de biechtvader, zijn schedel
is bedekt met een gezicht van was.
De zalige Jean-Marie Tomassi (1713) zou in
1850 nog intact geweest zijn. Hij werd in Rome
tentoongesteld in een relieklichaam dat `lijkt op
zijn portret'.
De zalige Vincentius (1504) bleek in 1518 nog
intact en werd sindsdien tentoongesteld in een
kristallen kist in het klooster van de heilige
Julianus nabij Aquila.
De zalige Crispijn van Viterbo (1750) lag
opgebaard achter glas in de kerk van de
capucijnen in Rome `zodat men kon zien dat hij
niet bedierf.'
De heilige Catharina van Genua (1510) lag in
1850 nog opgebaard in een glazen kist op het
hoofdaltaar van de kerk van het groot ziekenhuis
van Genua.
De in 1669 heilig verklaarde karmelietes Maria
Magdalena de Pazzi (1566-1607) ligt in een glazen
kist op de scheidslijn van twee aan elkaar
gebouwde kerken in Florence, zodat men haar in
beide kerken kan zien. "Lijden, niet
sterven!" luide haar levensdevies.
Buik
De heilige Fulcran overleed in 1006 en werd in
1127 begraven in de kerk van Lodève. Zijn
lichaam bleef ongecorrumpeerd tot 1572 toen de
hugenoten het door de straten sleepten en in het
vuur gooiden. Na herstel van de katholieke orde
toonde men in Lodève achter glas het enige wat
van Fulcran over was: zijn buik. Daarop was nog
duidelijk de afdruk van het sleeptouw te zien.
Eeuwige stoel
De heilige Catharina van Bologna (1463) zat
tot halverwege de vorige eeuw opgebaard in een
stoel in een kerk van de clarissen in Bologna. De
stoel zelf stond in een enorm tabernakel, achter
glas en tralies. Ze zat gekleed in een grijze
stof die gezicht en handen vrij liet. `Het vlees
lijkt nog te leven. Ze is slechts een beetje
grauw op de meest blootgestelde plaatsen.' Na
1850 werd ze in een aan de sacristie grenzend
vertrek geplaatst en had men speciale toestemming
nodig om haar te mogen zien. Ze zat nog steeds in
een stoel, nu gekleed in religieuze gewaden. `De
voeten zijn bloot, overdekt met kristal; de
handen zijn onbedekt, en alleen de religieuzen
mogen ze kussen.'
Lodewijk XIV laat heilige aansnijden
De heilige Rosaline werd in een glazen kist bewaard in
Arcs-sur-Argens (Provence) in het naar haar genoemde kasteel.
Rosaline overkwam het onmogelijke: tijdens de vele overbrengingen
van het lijk raakte men haar lichaam kwijt. De voorzienigheid
was ongetwijfeld in het spel toen het lichaam teruggevonden
werd... door een blinde. Zo onbedorven was zij, dat haar
ogen `zo helder als die van een levende' waren. Een prominente
maar twijfelachtige bezoeker van haar tentoongestelde lichaam
was Lodewijk XIV. Toen hij haar samen met zijn arts Vallot
bezocht, gaf hij de geneesheer opdracht een kleine insnede
te maken in een van de ogen. Onmiddellijk verdween de glans
uit beide ogen. Om te voorkomen dat het nu ingetreden verval
zich zou voortzetten naar het gehele lichaam, werden de
ogen verwijderd en apart bewaard in een brandkast.
Lees verder.
INDEX
Ontbreekt er informatie?
Is er een situatie veranderd?
Laat dat dan in ons Hollandse
Heiligen mededelingenboard weten.
Deze on-line encyclopedie van Nederlandse Heiligen, Genadeoorden
en bedevaartsplaatsen is geschreven door Mohamed el-Fers.
Van dezelfde auteur verschenen o.a.:
Jacques Brel ISBN 90-5330-245-X, in België ISBN 90-5312-113-7;
Istanbul ISBN 90-5330 240 9, in België ISBN
90-5466 790 7;
Columbus ISBN 90-5330-032-5;
Bob Marley ISBN 90-5330-015-5;
Oum Kalsoum ISBN 90-5330-036-8;
Mehmed VI Vahdeddin, de laatste sultan ISBN 90-5330-023-6;
Ramadan, meer dan vasten (Mohamed el-Fers en drs
Veyis Güngör) ISBN 90-736-1613-1.
Hoe gevaarlijk zijn de Turken? (Mohamed el-Fers en
drs Chris Nibbering) ISBN 90-9011-752-0;
Encyclopedie van Hollandse Heiligen en Genadeoorden
RKBN 2002-7912
Theater: ´Amsterdams Mirakelspel´ en ´De Zaak
Schnitke´ (premiére voorafgaande aan de Alfred Schnitke
opera ´Life with an idiot´ in aanwezigheid van de componist
en H.M. koningin Beatrix en Z.K.H. prins Claus der Nederlanden).
All sites © Mohamed el-Fers
|